EEN TOREN

OM TE STAAN IN EEUWIGHEID

 

 

een onderzoek naar het ‘hemelmotief’

in het werk van Nescio

 

door

Marc Boelens

 

 

Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine rotsblokken op te stapelen om ‘m van z’n verhevenheid te storten en dan de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt: "Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren. ‘t Spijt me dat je je nek moet breken en dat ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar. En zoo gaat alles z’n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?

(Titaantjes, facsimile-uitgave van de eerste druk (1918, van J.H. de Bois, Haarlem), ‘s Gravenhage, 1982, p.128.)

inhoud:

 

Zichzelf een toren oprichten tot in de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid (inleiding)

Nescio’s werk is onderwerp van tal van studies, en het besef dat zijn werk gecompliceerder is dan de argeloze lezer op het eerste gezicht zou vermoeden is zo langzaam maar zeker vrij algemeen.
Laatst werd mij gevraagd een spreekbeurt te houden over het werk van Nescio. Bij herlezen viel mij iets bijzonders op: regelmatig wordt de blik van de lezer over een horizontaal landschap geleid naar een boom of een toren, en vandaar verticaal, recht omhoog, de lucht in.

Langs den stam van een hoogen boom keek ik naar boven en zag dat de avond niet viel, want ‘t was boven lichter dan beneden.’

(Boven het dal, 11e druk, Amsterdam 1979, Eerste ontroering, p.15; cursivering van mij, MB)

’En uit ‘t water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en de huizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, met vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor God, om z’n stad te herkennen en twee spitse toorens, die hoog en onmachtig zich rekten naar nog hooger.’

(Dichtertje, facsimile-uitgave van de eerste druk (1918, van J.H. de Bois, Haarlem), ‘s Gravenhage, 1982, p.39)

Dat door bomen en torens gedomineerde landschap lijkt vaak een verwijzing te zijn naar het innerlijk van de personages. Maar een verwijzing naar wat precies? Als de lezersblik op deze manier omhoog geleid wordt naar de hemel, en als we aannemen dat de hemel voor de onvergankelijkheid staat (hetgeen me heel aanvaardbaar lijkt), kunnen we dan die boom of toren als symbool voor onvergankelijkheid zien? Of tenminste als een symbool voor de wns naar onvergankelijkheid? Die bomen en torens staan daar al eeuwen, dus voor de mens kunnen ze, relatief gezien, heel goed symbolen van onvergankelijkheid zijn.

Aan de hand van passages uit Nescio’s werk wil ik proberen te beantwoorden of, en zo ja hoe, torens en bomen personages ‘naar de hemel leiden.’

***

Chroniqueur van God

‘En de vele vergulde toppen van zomerboomen en herfstboomen en al de wolken. Ik zou willen dat die leefden, dat dit vergankelijke leefde zoo lang als de gedachte kan reiken, al dit teere, dat ik zelf zou leven zoolang als men Hollandsch kan lezen, zoo’n eenvoudig mannetje als ik ben, dat zou ik willen.
[...] Kijk dan zou ik wel weer graag willen schrijven. God spreekt in me, alleen z’n stem is wat zwak en ouwelijk geworden en mijzelf kom ik vaak overleden voor; hij wil niet dat dit allemaal vergaat, nu, hij wil dat er iets van blijft, nog even (voor God is dat maar even) en dat ‘t nog wat op deze aarde vertoeven zal door mij.

De schrijver als chroniqueur van God. Een God die spreekt in het innerlijk van de schrijver. Hetgeen geen onbekend beeld is voor wie vertrouwd is met het genie-concept van de Romantiek. Immers, zoals voor vele romantici geldt voor Nescio en zijn personages dat onvrede met het hier en nu de motor van het Verlangen is, hoe onbestemd dan ook. De onvervulbaarheid van dit Verlangen, die op de koop toe genomen wordt, bepaalt uiteindelijk de tragiek.
In Nescio’s wereld speelt het Verlangen een grote rol. De personages proberen zich te ontworstelen aan het grauwe bestaan, maar slagen daar niet in. Het heeft er alle schijn van, dat zij te hoog grijpen. En misschien is dat wel de reden dat Nescio’s personages altijd weer teruggeworpen worden in het grauwe bestaan: zij mogen zichzelf blijkbaar niet op n lijn stellen met God. Zij moeten voortdurend van het besef doordrongen zijn, dat zij slechts mensen zijn en dat hun pogingen de hemel te bestormen tot mislukken gedoemd zijn.

Als we naar het sleutelstukje ‘Het dal der plichten’ (Boven het dal en andere verhalen, p.7) kijken, dan zien we dat de ik-figuur op de berg zit en over het dal kijkt. Dan rekt hij zich uit en kijkt op langs zijn armen naar de blauwe lucht. Zoals vaak bij de beschrijving van een boom in Nescio’s werk wordt de blik van de lezer mee geleid met die van de ik-figuur: langs zijn armen omhoog, naar de blauwe lucht! Wat betekent dit? Er zijn genoeg passages in Nescio’s werk waarin een hemel genoemd wordt, maar rechtvaardigt dat mijn vermoeden dat bij passages waarbij de blik (vaak via een toren of een boom) naar omhoog geleid wordt, dat dan naar die hemel verwzen wordt?
Bomen, in Nescio’s werk, staan in contact met ‘God’. De mensen, in een poging dichter bij de onvergankelijkheid te komen, bouwen zich (soms symbolische) torens, het menselijke antwoord op de bomen, als ‘ladders naar de hemel’. Maar ‘God’ staat dat niet toe: de hemelbestormers worden teruggeworpen naar het grauwe bestaan van het dal der plichten.
Staand kun je de wereld aan, en staand daag je zelfs de hemel uit, daar lijkt het tenminste bij veel personages uit Nescio’s werk op. Soms is het alsof ze vol verlangen naar de hemel reiken, maar dan worden teruggeworpen tussen de andere mensen, tussen de wanstaltige en verwelkte mensen die maar voortdurend naar de grond blijven kijken.

‘Het dal der plichten

Ik zit op den berg en kijk in het dal der plichten. Dat is dor, er is geen water, het dal is zonder bloemen en boomen. Er loopen veel menschen door elkaar. De meesten zijn wanstaltig en verwelkt en kijken voortdurend naar den grond. Na eenigen tijd sterven zij allen, toch zie ik niet dat hun aantal mindert, het dal ziet er steeds eender uit. Verdienen zijn beter?

Ik rek mij uit en kijk op langs mijn armen naar de blauwe lucht.

Ik sta in het dal op een pleintje van zwarte sintels, bij een kleine stapel afbraakplanken en een onbruikbare waschketel. En ik kijk en zie mezelf zitten, daar boven, en ik jank als een hond in de nacht.’

(Boven het dal en andere verhalen, ‘Het dal der plichten’, p.7:)

De ik-figuur rekt zich uit en kijkt langs zijn armen naar de blauwe lucht. Hij kijkt niet neer op het dal der plichten maar heeft de blik omhoog gewend. Naar een hemel? Als dat zo is, dan kunnen we de berg zien als een soort tussenstation tussen die hemel en het dal der plichten.
De ik-persoon vindt het dal der plichten en de mensen erin maar verachtelijk: ‘Verdienen zij beter?’ Hij heeft duidelijk zijn zinnen op iets hogers gezet. Maar toch maakt hij, na langs zijn gestrekte armen vanaf de berg verlangend naar de blauwe lucht te hebben gekeken, plots ook deel uit van het dal der plichten. En als hij drvandaan omhoog kijkt, ziet hij zichzelf zitten (althans, die uitgave van zichzelf die de vrijheid heeft op de berg te zijn), en hij jankt ‘als een hond in de nacht’, want hij is neergeworpen in het droefgeestige, zinloze bestaan waaraan hij nu juist wilde ontsnappen, dat bestaan waarvan hij zelfs op de berg nog niet ver genoeg verwijderd leek te zijn. Wat is er gebeurd?
Wellicht is bovenop de berg wel de vrijheid om om je heen te zien, maar niet om verlangend naar bven te zien, naar nog hoger, en wordt de persoon die dat doet door God teruggeworpen naar het grauwe bestaan. We moeten niet te hoog grijpen, dat hogere is niet voor ons weggelegd. Alles wat voor ons haalbaar is, is hier en nu om ons heen op aarde: je kunt hooguit vanuit het dal der plichten naar de top van de berg, maar niet vanaf de top van de berg naar nog hoger, daar heeft de mens niets te zoeken.
En er is nog meer aan de hand.

In het dal der plichten komen geen bloemen en bomen voor. En dat, terwijl in Nescio’s werk de natuur voor lven staat, voor de eeuwige levenscyclus. In zijn werk vinden we tal van natuurbeschrijvingen (want het was hem te doen om ‘en passant wat wolken en zoo voor eenige eeuwen te fixeeren’, zei hij), maar vaak houdt het niet op bij die natuurbeschrijving m de natuurbeschrijving, vaak weerspiegelt de natuur het innerlijk van een personage, dat kunnen we bijvoorbeeld goed zien in de passage waar Dichtertje op bezoek komt en waar Dora zich van zichzelf, van haar lichamelijkheid en haar gevoelens bewust wordt.

‘[Ze] stond op haar kamertje voor ‘t open raam. Gek, ze hijgde anders nooit, nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borsten groot werden. En ‘t grasveld voor ‘t huis en ‘t vijvertje met de bladen en de witte bloemen, met ‘t riet, dat zachtjes heen en weer ging en de gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende acacia’s en de jasmijn bij het rhodondendronboschje, dat uitgebloeid was en de rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuw en zoo mooi. De leeuweriken zongen overal, een reiger vloog, de lucht was zoo hoog en de boomen ruischten om ‘t huis en ‘t licht - kun je ‘t licht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar armen samen om haar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich helemaal uit. De armen wijd omhoog, als bij ‘t diabolospel. En ze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen.’

(‘Dichtertje’, p.22/23., cursivering van mij, MB)

De natuur als spiegel van het innerlijk. Het einde van deze passage, het cursieve gedeelte, laat Dora’s reactie op haar nieuwe zelfbewustzijn zien. Vanaf nu kan ze de wereld aan. Dit zelfbewustzijn lijkt onderstreept te worden door het zich uitrekken, met de armen wijd omhoog.
Zoals we gezien hebben, komt dat uitrekken, dat reiken naar de hemel, ook voor in ‘Het dal der plichten’ en wordt dit beschreven vanuit hetzelfde perspectief als waar vanuit bomen, de ‘materialisatie Gods’
(‘Dichtertje’, p.46) , meermalen worden beschreven: de blik van de lezer wordt langs een boom omhoog naar de lucht, naar de hemel geleid. Maar als bomen een verwijzing zijn naar ‘het hogere’, waarom komen ze dan in het dal der plichten niet voor? Het leven in het dal der plichten, in die burgermaatschappij met al z’n benauwende regeltjes, moet wel een bijzonder somber leven zijn, want zonder de aanwezigheid van de natuur zou voor de Nescio-personages het leven niet of nauwelijks de moeite waard zijn geleefd te worden, want voor hen is Gods natuur de enige - tijdelijke - ontsnapping die is toegestaan.
En dat is dan ook precies wat de personages proberen te doen, ze proberen te ontsnappen aan de somberheid van het bestaan, aan het ‘dal der plichten’: ‘Ik rek mij uit en kijk op langs mijn armen naar de blauwe lucht’; een blik gericht op de plek waar vandaan de bevrijding verwacht wordt. Maar die bevrijding blijft uit.

***

Gods doel is de doelloosheid

Over de goden in Nescio’s werk is al veel geschreven (zie bv. ‘Opstand tegen twee goden’ van K. Fens in De gevestigde chaos, Amsterdam 1966, p.53-58), dat hoef ik hier niet te herhalen. Laten we er vanuit gaan dat er een god in de hemel is, welke god dan ook, die alles bestuurt en die de mens die teveel wil, terugwerpt. Of die god volgens Nescio werkelijk in de hemel is, of dat hij in ons hoofd zit, doet niet zozeer terzake.
De personages uit Nescio’s werk willen n worden met de natuur, met God, ze zoeken onvergankelijkheid.

‘Doen. Wat heb ik er grondeloos genoeg van gehad. O, zij kunnen niet anders. Doen ze niet, dan zijn ze niet. Ik wil zijn, voor mij is doen: niet zijn.’

(Boven het dal en andere verhalen, 11e druk, ‘Insula Dei IV, p.84).

Bomen bestaan zonder hun precieze taak te weten, zoals God het met hen voorhad. Maar de mensen richten zich torens op, om als kleine godjes, als Titaantjes, God uit te dagen. Torens als door de mens geschapen bomen. (‘Dichtertje, p.31:) Om zichzelf een toren te bouwen tot in de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid. En alsof al die torens torens van Babel zijn, worden de mensen door God voor hun hoogmoed gestraft. Want in dat pogen n te worden met de goddelijke natuur, ligt nu juist de tragiek: het lkt de personages niet om alleen maar te ‘zijn’; ze blijven zitten met hun onvervulde verlangens. Hoe hard ze het ook proberen, altijd bouwen ze zichzelf hun torens: Bavink die God moet vangen op zijn schildersdoek, is daarvan het voorbeeld bij uitstek. Alleen Koekebakker lijkt zich uiteindelijk van de (door God geschapen) paradox van het leven bewust:

‘Voorbij waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan, en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn verlangens onbevredigd.

[...]

Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.

-------------------------------------------------------------------------

Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.’

(‘Titaantjes’, p.112 en 114)

En als het voor geen mens is weggelegd dit bij voortduring te beseffen, wat is dan de verhouding van de mens tot de hemel?

Nescio’s personages overschatten zichzelf; ze bouwen zich torens om boven de andere mensen uit te torenen, om als menselijke bomen het dal der plichten, het burgermansleven met al zijn regeltjes te ontstijgen. Ze willen niet beantwoorden aan de menselijke hirarchie: ze dringen zich in in de hemelse hirarchie. Maar daarmee eisen ze voor zichzelf een plaats op, die God niet voor ze heeft bestemd. Te hoog reiken, en je wordt teruggeworpen naar die grauwe werkelijkheid waar de mens zich met niets anders dan zichzelf bemoeit. Het is moeilijk het evenwicht te bewaren.
Ook Dora reikt te hoog, op het moment dat ze Dichtertje vertelt dat ze dichteres wil worden. (Let ook op Dichtertjes veelzeggende gedachte (‘goed zoo’) als Dora vertelt dat ze altijd op de top leeft.)

(Dichtertje:) "God brengt ons op een hoogte, om ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet."

Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo nadenkelijk: "Ik leef altijd op den top."

Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in den Waal. "Mooi h?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit ‘t rek, stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedig met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne: "Aan mijn lijf geen Bovenkerk."’

(‘Dichtertje’, p.38., cursivering van mij, MB)

Ja, staand, als een boom of als een toren, durf je het (door God bestierde) lot te trotseren!

Bomen in Nescio’s werk stn ergens voor, ze worden regelmatig gebruikt als meetinstrument, of als instrument om omstandigheden mee aan te geven: een landschap dat er niet mee door kan, krijgt als stoffering een paar armzalige bomen mee; bomen worden ook gebruikt om de lezer beeldend duidelijk te maken welk seizoen het is, de bladwisseling van de bomen wordt als tijdmaat gebruikt en afgezet tegen het korte menselijke bestaan; bomen zijn herkenningspunten en ze zijn een graadmeter voor de temperatuur. Je kunt heel wat aan ze aflezen. (Voor wie hier voorbeelden van wil zien, in chronologische volgorde: Boven het dal: ‘Buiten IJ’, hst.II, ‘Retraite’, p.19: r.34, p.20: r.6; ‘Mene tekel’, p.24: r.12-16; ‘Het begin’, hst.II, p.39: r.13, p.40: r.29-33.)
Bomen zijn door God gemaakt, ze wijzen op hun maker en dwingen zodoende tot bezinning en bespiegeling; ze nodigen de mens uit hier en nu om zich heen te zien, naar de natuur, en vrede te hebben met het bestaan zoals het is.
Torens zijn het antwoord van de mens op Gods bomen. Ze missen echter iets elementairs (buiten het feit dat ze geen meetinstrument van de omstandigheden zijn): ze wijzen niet op bezinning in het heden! In tegendeel, het zijn ladders naar de hemel, en wee de hemelbestormer die er gebruik van maakt!
Iedere keer als Dora opstandig is, staat ze.

‘Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z’n vingers raakten de hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild verlangen uit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar kleren haar onverdragelijk waren, n oogenblik. Maar ze stond kalm op, n hand hield ze op de leuning van den stoel. "Ik trouw niet". Ze zei ‘t alsof ze vertelde dat de boekhouder z’n ontslag had genomen.’

(‘Dichtertje’, p.48; cursivering van mij, MB)

Met uitgestrekte armen staan symboliseert echter niet altjd het trotseren van het ‘hemelse’ lot. In de volgende passage is het een teken van vertwijfeling, een vraag, naar de hemel. Maar niemand antwoord.

‘Ze stond op. Aan de bleek lucht schenen de sterren, ‘t water rimpelde en warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in den kleureloozen zomeravond. [...] Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde.’

(Dichtertje, facsimile-uitgave van de eerste druk (1918, van J.H. de Bois, Haarlem), ‘s Gravenhage, 1982, p.27; cursivering van mij, MB)

Het dichtertje is veel opstandiger:

‘Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid.’

(Dichtertje, facsimile-uitgave van de eerste druk (1918, van J.H. de Bois, Haarlem), ‘s Gravenhage, 1982, p.31; cursivering van mij, MB)

Zichzelf een toren oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid - alsof het niets is! De torens die Nescio’s personages zichzelf oprichten, geven blijk van hun wil de omgeving naar hun hand te zetten. God (het lot) wordt daarbij genegeerd. Dit blijft echter niet straffeloos. Dichtertje wil zichzelf een monument oprichten, maar daarmee daagt hij God uit! (En geeft hij toe aan de verleiding door de duivel!) En god is natuurlijk veel te machtig voor een dichtertje.

‘[...] een kerk, groot, als een teeken voor God, om z’n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en onmachtig zich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de rivier zijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet te zien komt achter de blauwe lucht.’

(Dichtertje, facsimile-uitgave van de eerste druk (1918, van J.H. de Bois, Haarlem), ‘s Gravenhage, 1982, p.39; cursivering van mij, MB)

‘Een groot dichter te zijn en dan te vallen.’ Dat is wat ‘t dichtertje het liefst wil. ‘De wereld ns te verbazen en ns een liaisonnetje te hebben met een dichteres.’ Hij schrijft zijn grimmig boek en wordt beroemd. Maar hij heeft nu van alles genoeg. Hij lijkt te voorzien wat komen gaat en hij lijkt de consequentie te dragen, alsof hij weet dat het allemaal onvermijdelijk is.

‘Z’n boek was af, z’n gedicht zonder eind hatti vermoord, z’n positie in de maatschappij was een farce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven zonder hem, God zou hen troosten, de tijd heelt alle wonden.’

(Dichtertje, facsimile-uitgave van de eerste druk (1918, van J.H. de Bois, Haarlem), ‘s Gravenhage, 1982, p.44)

Het dichtertje is gevallen: hij heeft de liefde bedreven met Dora (en is zodoende dus een liaisonnetje aangegaan met een dichteres). God en de duivel zien toe, het is volbracht: ‘Consummatum est.’
Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Dichtertje heeft zichzelf een toren opgericht en is gek geworden. Hij staat naakt, rechtop in z’n kamer, met geheven rechterarm, met z’n wijsvinger naar boven wijzend!

‘Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. [...] Geheel naakt stond hij in ‘t midden van de kamer. Z’n linkerarm hing langs z’n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm was geheven en wees met den wijsvinger naar boven. [...]

"Ik ben God", zeidi. "Ik ben meer dan God. Ik ben de onwrikbare, de onbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat ik moet. Wat ik doe is goed." [...]

"Zei ik, dat ik God was? Ik ben ‘t eeuwige leven. Ik ben de vruchtbaarheid. God heeft me gezonden."

(Dichtertje, facsimile-uitgave van de eerste druk (1918, van J.H. de Bois, Haarlem), ‘s Gravenhage, 1982, p.52’; cursivering van mij, MB)

De houding van het arme dichtertje is typerend: het hemelmotief bij uitstek. Zoals de toren niet de gelijke van de boom kan zijn, zo kan de mens niet de gelijke van God zijn. Het dichtertje is het gevecht met de hemel ten volle aangegaan, een gevecht dat hij gedoemd was te verliezen. Het dichtertje kon, zoals veel van Nescio’s personages, het evenwicht niet bewaren: hij bouwde zichzelf een toren tot de blauwe lucht en mest dan ook wel diep vallen.

***

Hemels ganzenborden (epiloog)

In dit artikel heb ik geprobeerd te beantwoorden of, en zo ja hoe, torens en bomen Nescio’s personages ‘naar de hemel leiden’.
Nescio’s personages leven hun vergankelijke leven in een ‘zinneloze optocht’, generatie na generatie. Ze kunnen daarmee geen vrede hebben en proberen dat bestaan te ontvluchten; ze verlangen naar het hogere, naar onvergankelijkheid, de onvergankelijkheid die ze in de natuur aantreffen. Het lijkt wel of de mensen iets missen, alsof ze niet compleet zijn, en dat ze, om compleet te worden, naar de hemel reiken. In plaats van alleen maar van ze te genieten, zouden ze willen zjn als de bomen, die symbolen van onvergankelijkheid langs wiens stammen Nescio de blik van de lezer keer op keer naar de hemel leidt, berustend en in contact met ‘God’. Dit romantisch verlangen zet ze ertoe aan op te staan tegen hun lot. Ze bouwen zich symbolische torens, als ladders naar de hemel, maar daarmee kunnen ze de bomen, die per slot van rekening door God geschapen zijn, niet evenaren. Bovendien staan ze, door de blik zo verlangend naar de hemel op te slaan, op tegen God, die (blijkbaar) vindt dat de plaats van de mens, vergankelijk en wel, op aarde is. Merkwaardig genoeg is het diezelfde God die ze dat verlangen heeft ingegeven. De verhouding van de mensen met de hemel is niet erg gelukkig: God laat dat verlangen niet alleen niet in vervulling gaan, de mensen worden zelfs voor straf teruggeworpen naar het grauwe bestaan van het dal der plichten. Ontnuchterd zien zij om zich heen; er rest ze slechts berusting (indien zij niet t hoog gegrepen hebben, zoals bijvoorbeeld Koekebakker of Dora) of krankzinnigheid (zoals Bavink die God op zijn schildersdoek wilde vangen) of de dood (voor hen die zich werkelijk niet wensen te conformeren, zoals de Uitvreter of Dichtertje).
Zoals het paradijs niet voor Adam en Eva was omdat zij zich door de duivel lieten verleiden en aan nu juist die ene boom, Gods boom, niet konden weerstaan, zo is de Onvergankelijkheid niet voor de mens die (ook ingegeven door de duivel?) te veel verlangt, geen genoegen neemt met de natuur als schouwspel, en zich tegen zijn natuurlijk lot verzet.
Iedere keer dat een personage in Nescio’s werk dat doet, zich tegen zijn lot verzet en verlangend naar het hogere opziet, daarmee tegen ‘God’ opstaand, staat hij ook ltterlijk op; zo maakt het hemelmotief duidelijk wat Nescio’s personages beweegt. Bijvoorbeeld Dichtertje als hij zichzelf tot God verklaart. Want ook Dichtertje had niet genoeg aan de wereld van het sterfelijke. Staand, als een indrukwekkende maar machteloos naar de hemel wijzende toren, daagde hij God uit, maar het ‘hemelse ganzenborden’ wordt altijd door God gewonnen, Dichtertje was bij voorbaat kansloos.

‘t Dichtertje is nu dood. ‘Consummatum est.’

Marc Boelens

***

BIBLIOGRAFIE

Boeken:

Artikelen:

Boekpassages: