Lazarus 

Ik ben geen gelovig man,
Maar laatst, des nachts, werd ik
Getroffen door een nare aanval
En leek ik peilloos diep te vallen:
Alles was zwart en rood.

Zo, dit is het dan, dacht ik, dit is de dood.
Misschien zelfs hemel, hel, what have you.

Maar geloof het of niet (ík moest wel)
Juist op dat moment droeg een engel mij
Op haar vleugels naar het licht en zei,
Alsof het de gewoonste zaak ter wereld was:
Sta op!
En ik sloeg de dekens van mij af
En stond op eigen benen
Alsof dat alles meeverzekerd was.

Deze engel opende mijn graf en riep mijn naam.
Zij slechtte de grens tussen licht en duister.
Hoe lang ik ben weggeweest, ik weet het niet,
Maar de wereld is veranderd. Ouder. Nieuwer.

Zoveel jaren lang was ik een bang kind gebleven.
Nu, al die jaren later, ben ik genezen:
Ik ben gestorven, maar opnieuw heb ik tijd van leven.
Ik ben Lazarus, dolende vanuit de dood.