eierkreeftjes

 

Behoedzaam stuurde meneer Abigail zijn auto door de nauwe hoofdstraat van het oude stadje. Aan weerskanten stonden rustieke, witgepleisterde huizen broederlijk tegen elkaar geleund en maakten een tijdloze indruk. Aan het einde van de straat was een zonnig pleintje, waar enkele platanen het zonlicht in het vlekkenpatroon van hun geschilferde bast weerkaatsten. Boven de bomen uit torende een rode bakstenen kerk, die in de dagen van weleer de hele omgeving geÔmponeerd moest hebben, maar nu een vervallen indruk maakte. Zijdelings achter de kerk, verder weg, maar de contouren ervan nog duidelijk zichtbaar als je vanuit de hoofdstraat langs de platanen keek, de betonnen reactorkoepels van een kerncentrale. Het idyllische plaatje werd erdoor ontsierd, vond meneer Abigail; er kon veel misgaan, maar ze waren er nu een≠maal, daar kon je niet onderuit.
     Zonder veel moeite vond meneer Abigail het hotel: een scheefgezakt huis met veel hout en wittig pleisterwerk. Waarschijnlijk had het een eerbiedwaardige geschiedenis, maar meneer Abigail vond het een onooglijk bouwwerk en vroeg zich af of miss Marcus, de anders zo precieze afdelingssecretaresse, geen fout had gemaakt. Hij keek de aantekeningen in zijn agenda er maar eens op na: geen fout.
   Meneer Abigail stapte uit zijn auto, ging het hotel binnen en meldde zich bij de balie in een kleine lounge: R.M. Abigail, salesmanager bij Tidy bugspray, een een≠persoonskamer voor twee nachten. Het meisje achter de balie had geen kin en een lange, gebogen neus, maar haar goedlachse charme maakte veel goed. 'Een vriendelijk roofvogeltje', dacht meneer Abigail. Ze bracht hem naar zijn kamer, die ordelijk was ingericht: op de gewreven houten vloer lag een eenvoudig karpet, waarop een rooktafeltje en twee comfortabele, kleine stoelen stonden. Tegenover de deur stond een linnenkast, niet oud genoeg om antiek te zijn, en achter de deur een secretaire waarvan hetzelfde gezegd kon worden. Tegen de rechterwand stond een breed bed. Aan de andere kant van de kamer viel een bundel stoffig namiddaglicht door een klein, hoog raam aan de straatkant, waardoor het kamertje een dromerige aanblik bood. Meneer Abigail was tevreden. 

*

Het was hetzelfde meisje dat 's avonds bij het diner serveerde, samen met haar vader, een goedmoedige oude gier: geen kin en een grote, rode haakneus. Moeder stond in de keuken, begreep meneer Abigail.
     De kleine eetzaal met zijn houten lambrizering wekte een warme indruk. Het groene behang had weliswaar betere dagen gekend, maar maakte het de reiziger gemakkelijk zijn vormelijkheid af te schudden en zich hier vertrouwd te voelen. In een rommelige hoek, onder een ouderwetse kroonluchter, stond een grote ronde tafel, speciaal voor gasten die alleen waren: dan kon men in gezelschap eten, als men daar prijs op stelde. De grote tafel was omringd door enkele kleinere tafeltjes, maar het idee weer alleen te eten stond meneer Abigail niet aan en hij liet zich een plaats indekken aan de ronde tafel, waar al twee andere heren zaten, handelsmannen als hijzelf waarschijnlijk, gezien de autokreukels in hun colberts.
     Het eten was voortreffelijk. Zachte groentes, zoals postelein en spinazie, en prachtige oranje worteltjes, niet te gaar gekookt, en kleine, stevige aardappeltjes en verschil≠lende vlees en vissoorten: lamsvlees en kalfslapjes en kabeljauw en iets wat meneer Abigail niet kende, maar dat een 'eierkreeftje' werd genoemd en dat zijn naam ongetwij≠feld aan de wat weeŽ eiergeur te danken had. Het was wat grauw van kleur, maar liet zich soepel uit de brede, ronde schalen snijden en het smaakte verrukkelijk!
     En meneer Abigails tafelgenoten, die oude bekenden van elkaar waren, waren inderdaad handelsreizigers en stelden zich voor als Groeneveld en De Bruin. Meneer Abigail zei blij te zijn zich in zo'n kleurrijk gezelschap te bevinden en de heren lachten welwillend. Zo ving een routineuze tafelconversatie aan.
     Meneer De Bruin was een kleine, magere vijftiger met diep ingesleten kraaiepootjes rond levenslustige, donkere oogjes. Als reiziger in horloges, had hij een grote voorraad onderhoudende anekdotes, die hij geanimeerd vertelde. Meneer Abigail was dankbaar dat hij kon volstaan met luisteren; hij had de hele dag in de auto gezeten en hij was hongerig. Meneer De Bruin vertelde in geuren en kleuren hoe hij er in de loop der jaren in was geslaagd 'de tijd te gelde te maken', zoals hij het noemde.
     Meneer Groeneveld die, heel toepasselijk, in grasmaai≠machines reisde, 'omdat mensen altijd hun gras maaien, wat er ook gebeurt', en die eruit zag als een onhandige, dikke baby, leek wat afwezig, maar hij lachte op de juiste momenten; hij had de verhalen al vaker gehoord.
     Toen meneer De Bruin eindelijk stilviel om met een onverwachte hartstocht een sappige karbonade naar bin≠nen te werken, en ook meneer Abigail geconcentreerd van een eierkreeftje proefde, begon meneer Groeneveld zuch≠tend te vertellen.
     'Op het eerste gezicht lijkt alles hier onveranderd', begon hij weemoedig. 'De kerk is wat vervallen en de kerncentrale is natuurlijk nieuw, maar verder zou je het zo voor een oude ansichtkaart kunnen houden.' Hij zweeg even toen de oude gier een kommetje botersaus bracht; meneer Abigail bediende zich nog eens en schepte rijkelijk van de saus over een eierkreeftje.
     'Maar er Ūs wel degelijk iets veranderd!' ging meneer Groeneveld verder. 'Ik kan niet precies uitleggen wŠt, ik bedoel, het is moeilijk in woorden uit te drukken, maar ik voel me hier tegenwoordig een vreemde.' Hij keek zijn tafelgenoten even aan, als om hun reactie te zien, maar beide heren leken alleen oog te hebben voor hun bord.
     'Vroeger kwam ik hier graag, in het land van mijn jeugd; weliswaar waren de mensen nogal kleurloos en godvrezend, maar hun blik op de hemel was me tenminste vertrouwd. Tegenwoordig is het anders....' Hij staarde met mistige ogen in het verleden. Toen schudde hij zijn herinneringen van zich af en kwam met een lichte huivering weer tot zichzelf.
     'Ach ja, de wereld verandert. Tegenwoordig heeft het geloof in een hiernamaals plaats gemaakt voor geloof in de wetenschap.' Hij zuchtte. 'Misschien ben ik een pessimist, maar ik geloof niet, dat het een eerlijke ruil was.' Hij dronk zijn wijn met grote slokken en zette het lege glas met een klap op tafel.
     Meneer Abigail keek wat ongemakkelijk op van zijn bord. De eetgeluiden van de kleine horlogehandelaar naast hem, verscherpten de plotselinge stilte. Meneer Groene≠veld leek niet van plan verder te vertellen.
     Meneer Abigail was blij toen de situatie eindelijk ook tot zijn buurman leek door te dringen. Deze keek op van zijn bord en zei: 'Kom, ouwe reus, niet zo somber, meneer Abigail hier, zit juist lekker te eten en dan begin jij weer over vroeger te snotteren. Je moet voorzichtig zijn met de wijn, die is zwaar. Laat meneer Abigail liever vertellen, we geven hem geen kans met ons gebabbel.'
     De wijn was inderdaad zwaar, maar gaf meneer Abigail een gevoel van welbehagen; hij merkte dat het praten hem gemakkelijk afging. Hij vertelde wat versleten maar nog bruikbare anekdotes, en kwam al snel op zijn stokpaardje: insekten.
     Hij legde uit hoe naÔef de mensen zijn als het om insekten gaat en hoe de insekten er nog zullen zijn als de mens allang is uitgestorven. Hij vertelde over het gevaar dat insekten vormen, en dat, als dat gevaar nu eindelijk maar eens werd ingezien, men de bewoonde wereld snel van die plaag zou kunnen verlossen. Met Tidy bugspray, dat sprak vanzelf, want dat was toch maar mooi in staat vrijwel alle insekten te doden! Voor zolang het duurde natuurlijk, want insekten passen zich geweldig aan. Je vindt een stof uit die absoluut dodelijk is, denk je, maar dan zijn er altijd wel een paar die toch overleven en zich voortplanten en zo de stamvaders worden van een resistente soort. En genera≠ties volgen elkaar snel op in de insektenwereld, dus voor je het weet, heeft zich een hele verandering voltrokken. Maar de mensen zijn zo lastig te overtuigen. Insekten zijn zo nietig, zeggen ze. Jaja, de ideeŽn die mensen over insekten hebben!...
     Meneer Abigail dronk zijn glas leeg en keek zijn disgenoten aan. Meneer De Bruin knikte hem afwezig toe met zijn twinkeloogjes. Meneer Groenevelds hoofd rustte in zijn onderkinnen, zijn vlezige mond stond open en hij snurkte zachtjes.

*

Op zijn kamer merkte meneer Abigail pas hoe moe hij eigenlijk was. Hij was blij toen hij eindelijk in het grote ledikant lag. Buiten was de wind opgestoken. Takken schuurden langs het hoge raampje en wierpen grillige schaduwen op het behang, het oude houtwerk van de meubels kraakte, en op de een of andere manier leek alles heel vertrouwd. Alleen hing er een merkwaardig luchtje, maar dat rook meneer Abigail niet; hij sliep een droomloze slaap.
     De volgende ochtend werd meneer Abigail verkwikt wakker. Hij waste en kleedde zich en begaf zich opgewekt naar beneden. Door de ramen van de eetzaal gaf het vroege zonlicht de ruimte een blekere glans dan de vorige avond. De zaal was verlaten: de heren Groeneveld en De Bruin waren blijkbaar al op pad.
     Meneer Abigail had de copieuze maaltijd van de vorige avond nog in gedachten: hij at een mager belegd broodje en verliet het hotel.
  De eerste klant die hij moest bezoeken was gevestigd aan dezelfde weg waaraan de kerncentrale lag. Meneer Abigail reed de hoofdstraat uit, passeerde de kerk en bevond zich op een verlaten weg tussen de weilanden. De wind was gaan liggen; in een vaalblauwe hemel stonden compacte wolken hoog boven de weilanden, waar het zonlicht de roodfluwelen koeieruggen deed spiegelen. De bloei van de meidoorns lag als zomerse poedersneeuw over de houtwal≠len en boterbloemen en de schermen van het fluitekruid kleurden de bermen geel en wit.
     Maar allengs werd de weg stoffiger en de begroeiing kariger. Na verloop van tijd was alle kleur uit de bermen verdwenen behalve het donkergroen van de grovere gras≠soorten. Meneer Abigail moest onwillekeurig denken aan meneer Groeneveld: 'omdat mensen altijd hun gras maai≠en, wat er ook gebeurt.'
     Toen hij dichterbij kwam, zag meneer Abigail pas hoe groot de koepels van de energiecentrale eigenlijk waren en hij voelde zich nietig. Achter een versperring van prikkel≠draad vormden onbegraasde weilanden een groen niemandsland. Daarachter omsloot een hoge betonnen muur het indrukwekkende complex. Het geheel bood een desolate aanblik. Uit een afvoer die uit de betonnen muur stak, liep een brede straal koelwater een slootje in; verder was er geen teken van leven.
     Enkele honderden meters verderop was de ingang. De toegangsweg naar het terrein werd afgesloten door een slagboom, die vanuit een houten keet bediend werd door twee geŁniformeerde bewakers. Nu hij hier toch was, dacht meneer Abigail, kon hij net zo goed eens proberen of men hier geen Tidy bugspray kon gebruiken. Want waarom zou men in een energiecentrale geen last hebben van insekten, per slot van rekening.
     Meneer Abigail meldde zich. Vanachter de balie stond een van de geŁniformeerde mannen hem te woord, terwijl de ander achterin het gebouwtje schuilging achter een krant. Meneer Abigail stelde zich voor en vertelde wie hij vertegenwoordigde. Hij deed zijn werk al jaren en hij deed het goed hij legde zijn ziel erin, zogezegd, maar dit keer was de reactie lauw. Meneer Abigail begreep er niets van.
     'U hťťft hier toch wel insekten, zeker?!' vroeg hij dringend.
     'En ůf we hier insekten hebben!' antwoordde de man met een merkwaardig nerveuze vrolijkheid.
     'Nůu dan?!' riep meneer Abigail vertwijfeld. Maar de beambte haalde slechts hulpeloos grinnikend zijn schou≠ders op.
     Plotseling trok de man achterin, die al die tijd rustig zijn krant had gelezen, met een snelle beweging een schoen uit en wierp die met grote kracht tegen de wand van de houten keet. Er klonk een knappend geluid.
     'Heb je 'm?' riep de bewaker die meneer Abigail te woord had gestaan, en hij repte zich opgewonden naar de plaats waar de schoen was neergekomen.
     Meneer Abigail bleef nog even voor de lege balie staan, toen schudde hij zijn hoofd en draaide zich om. Hij stapte in zijn auto en reed de stoffige weg af, naar zijn eerste klant.

*

's Avonds in het hotel zat meneer Abigail weer rond de tafel met de heren Groeneveld en De Bruin. Het gedempte licht van de ouderwetse kroonluchter zorgde voor een aangename sfeer in de eetzaal en de maaltijd was even overvloedig als de dag ervoor. Terwijl hij zich tegoed deed aan eierkreeftjes, vertelde meneer Abigail zijn wederwaar≠dig≠heden van die ochtend.
     'Waar ie naar gooide met die schoen, dat weet ik niet', zei hij met zijn mond vol, 'maar ik weet wel, dat ie beter een van mijn spuitbussen Tidy bugspray had kunnen ne≠men.'
     Meneer Groeneveld lichtte zijn hoofd op uit zijn kinnen. Even leek het erop, dat hij iets wilde gaan zeggen, maar meneer De Bruin trok met een kuchje zijn aandacht en fronste zijn wenkbrauwen. Meneer Groeneveld liet zijn hoofd weer in zijn kinnen zakken. 'Verveling', zei meneer De Bruin met een kort glimlachje, terwijl hij zijn servet over zijn schoot waaierde. 'Verveling is de kwaal van deze tijd. Die lui zitten de hele dag met hun duimen te draaien in zo'n hokje, die reageren zich af op alles wat beweegt, zo gaat dat nu eenmaal.' Met zijn donkere, waakzame oogjes nam hij meneer Abigail scherp op.
     Meneer Abigail slikte ongemakkelijk zijn voedsel weg en zei: 'Ach, u zult wel gelijk hebben.' Maar voor hij de vol≠gende hap van het eierkreeftje naar zijn mond bracht, kon hij niet nalaten eraan toe te voegen: 'Maar onbeleefd was die snuiter evengoed wel!'
Het eerste wat meneer Abigail opviel, toen hij die avond naar bed ging, was de merkwaardige geur in zijn kamer. De vorige dag was hij te moe geweest om daar aandacht aan te besteden, dus hij kon niet zeggen of de geur bij de kamer hoorde, maar het was in ieder geval niet een geur die je er zou verwachten, niet het hout van de meubels of boenwas of zoiets. Een beetje muf was het, en vochtig. Het was een bekende geur, maar toch ook weer niet.
     Meneer Abigail deed de kastdeuren open en rook eens in de kast. Niets. Of in ieder geval niet sterker dan in de rest van de kamer. De geur was eigenlijk overal, maar als je even in de kamer was, dan werd het minder, dan raakte je eraan gewend.
     Meneer Abigail besloot er verder maar geen aandacht aan te besteden. Hij hing zijn kostuum aan een kleerhan≠ger in de kast en begaf zich te bed. Het ledikant kraakte genoeglijk, en terwijl de wind de boomtakken voor het ho≠ge raampje licht heen en weer deed zwaaien en het maan≠licht een schimmig lijnenspel op het behang projecteerde, sluimerde meneer Abigail in.
Uit een ver verleden, toen de mens nog overgeleverd was aan andere gevaren dan die van vandaag, heeft hij een zekere alertheid overgehouden. Op het moment dat meneer Abigail zich in het schemergebied tussen dromen en waken bevond, werd hij plotseling gewekt door een vreemd geluid. Waakzaam richtte hij zijn hoofd op van het kussen en luisterde....
     Daar! Hij hoorde het weer, precies onder zijn bed! Een vochtig, ritselend geluid!
     Met een ruk ging hij rechtop zitten en trok aan het licht≠koord. Even bleef het stil, toen klonk het vochtig ritselen weer.
     Meneer Abigail boog voorzichtig zijn hoofd om de houten bedrand. Wat hij zag, zou hij nooit meer vergeten: vanonder zijn bed kwam een vuŪstgroot insekt geschuifeld! Een enůrme pissebed!
     Meneer Abigail slaakte een oorverdovende gil en sprong met een reuzensprong van het bed af, de kamer in. In twee stappen stond hij op het rooktafeltje. Met uitpuilende ogen keek hij naar het logge insekt dat daar doodkalm door zijn kamer peddelde! Meneer Abigail voel≠de hoe de haren in zijn nek overeind stonden! Hij hapte naar adem, maar gillen of om hulp roepen, kon hij niet meer: zijn kaken bewogen zich op en neer, maar hij kreeg slechts een droog, blazend geluid uit zijn keel.
     Op dat moment werd met kracht de deur opengewor≠pen. Het was de gier, die op het geluid van meneer Abi≠gails angstschreeuw afkwam. Even keek hij bevreemd naar zijn gast, die daar in pyjama met knikkende knieŽn in het midden van de kamer op een tafeltje stond. Maar vrijwel op hetzelfde ogenblik leek zijn grote, kromme neus de lucht op te snuiven. Hij volgde meneer Abigails angstige blik en kreeg het monsterlijke insekt al snel in de gaten. Zijn ogen versmalden zich tot spleetjes, langzaam boog hij zich voorover. Toen dook hij met een schrille kreet bovenop het schaaldier!
     'Hebbes!' riep hij schor. En triomfantelijk toonde hij meneer Abigail het wriemelende insekt, dat hij met beide gekromde handen vasthield. 'Een ťierkreeftje!'
     Hij stopte het beest in zijn wijde overhemd, dat hij vervolgens bij de kraag dichthield. Hij wenste meneer Abi≠gail 'verder nog een ongestoorde nachtrust' en verliet de kamer.
     Meneer Abigail stapte wankelend van het tafeltje. Hij had de indruk dat de kamer langzaam kantelde en hij bereikte nog juist het bed.

*

De volgende morgen werd meneer Abigail verkrampt wakker. Zodra hij zich besefte waar hij was, sprong hij met een kreet van afschuw het bed uit. Hij sloeg verwilderd met zijn armen langs zijn lichaam en pas toen zij nergens weerstand ondervonden, liet hij zich trillend in een van de kleine stoelen zakken.
     Nadat hij enigszins tot zichzelf was gekomen, kleedde hij zich gehaast aan. Hij waste zich niet, hij ontbeet niet. In de lounge vroeg hij de rekening en antwoordde niet op de vraag van het roofvogelmeisje of hij nog goed had kunnen slapen 'na de schrik van vannacht'. Hij betaalde en vertrok.
     Pas op het moment dat hij zijn auto behoedzaam door de nauwe hoofdstraat van het stadje had gestuurd en de rustieke huisjes achter zich had gelaten, kreeg hij weer wat kleur op zijn wangen. In de wegbermen verdronken de laatste gele boterbloempjes in het hoge, donkere gras. Met een kleumerige beweging schudde meneer Abigail de gedachten aan de afgelopen nacht van zich af en hij dacht aan de woorden van de weemoedige meneer Groeneveld: 'Ach ja, de wereld verandert.' Vanaf de achterbank klonken ritselende geluiden. Meneer Abigail besloot er geen aandacht aan te besteden, maar desondanks drukte hij het gaspedaal dieper in dan gewoonlijk.

***