DE FENIKS  (EEN GOTISCH VERHAAL)

Horace Leigh Green
 
(ingeleid door T.H. van Leynden)

 

INLEIDING

Ik moet eerlijk bekennen dat ik me gedurende het grootste deel van mijn leven niet met griezelverhalen heb ingelaten. Dergelijke lectuur vond ik onzinnig. En het is nog maar enkele jaren geleden, dat ik mijn mening hieromtrent herzien heb en mijn verzameling ben begonnen. Het was een werkelijke gebeurtenis die me daartoe bracht.
Een bevriende collega, die meewerkte aan een archeologisch onderzoek dat werd uitgevoerd tijdens funderingswerkzaamheden van een oud klooster in de omgeving van het Deense dorpje Brandekloster werd bij de opening van een zestiende-eeuws graf verrast door het volgende schouwspel. Ik citeer uit haar brief aan mij:

‘[...] een corpus van kleine gestalte, uitgedroogd, leerachtig, maar nog helemaal gaaf, als een veenlijk. De kleren waren, op een enkel onbestemd lapje na, helemaal vergaan. Schoeisel leek de man, want dat was het, niet te hebben gedragen, er was in ieder geval geen spoor van te vinden. Heel merkwaardig was, dat door de plaats van het hart een bronzen pen ter grootte van een tentharing was gedreven. Natuurlijk dachten we allemaal direct aan de vampierfabels.
Maar nog gekker werd het toen we het corpus hadden doorgelicht. Geloof het of niet, maar het hart bevond zich niet aan de linkerkant maar aan de rechterkant van het lichaam! Bovendien waren alle tere organen zoals hart, lever, nieren, milt en longen nog helemaal intact!
Ik kan je wel vertellen, dat we ons naar geschrokken zijn. Het was een griezelig fenomeen, alhoewel het ‘s avonds in het café alweer onzin leek. [...]’

U begrijpt, ik had enige moeite haar verhaal te geloven. Maar door twijfel gedreven deed ik navraag bij enkele mensen die bij de opgraving aanwezig waren geweest, en allen bevestigden het. Ieder van hen kon het in detail navertellen!
Sindsdien verzamel ik griezelvertellingen, want er bestaan verhalen die zo verborgen zijn en zo wonderlijk, dat ze onze aandacht verdienen.
Het volgende verhaal, een manuscript geschreven op een ouderwetse typemachine, is voor zover ik weet nooit eerder onder de aandacht van het publiek gebracht.

T.H. van Leynden

 


 

DE FENIKS

 

door Horace Leigh Green

 
18 november 1898


‘Het lichaam op de katafalk, de jonge vrouw, wie is zij? Is zij werkelijk Deirdres grootmoeder, hooggeboren baronesse?
Zeker is, dat de zwangerschap van haar eerste kind haar noodlottig is geworden. Verder is alles omtrent haar duister.
Deirdre is van mening dat adellijke titels slechts een overblijfsel zijn van vroeger dagen, van de tijd die zij ‘het feodale tijdperk’ noemt. Maar voor mij is het meer dan dat. Het betekent blauw bloed in de aderen, het betekent aanzien, het betekent ‘noblesse oblige’. Maar voor Deirdre betekent het slechts inteelt.
Ik heb Deirdres grootmama nooit ontmoet, ze is in achttienhonderd of daaromtrent gestorven. Maar de rouwdienst is nog niet voorbij, zegt Deirdre, het lichaam ligt nog ongeschonden in het graf; sterven en herrijzen: goudgekleurde vleugels dragen de as van het verleden met zich mee van een punt dat de geschiedenis zich later niet meer kan herinneren.’

Daaronder in vale inkt, in een beverig, vrijwel onleesbaar handschrift:

24 december 1907

Geef de moeder aan de kinderen:
bevrijd ze uit de toren!’

Aangezien ik niets met deze cryptische aantekeningen wist aan te vangen, rolde ik het document op en borg het in een la, waar ik het voorlopig vergat; mijn vader was altijd een merkwaardig man geweest. ‘Excentriek’, zei men in het dorp en sommigen zeiden ronduit: ‘gek’.
Ik had niet alleen deze verwarde boodschap geërfd, ik was eigenaar geworden van het huis en van een aanzienlijk fortuin.
Mijn vader had ik zelden gezien. In mijn prilste jeugd werd ik grootgebracht door gouvernantes en zodra dat enigszins mogelijk was werd mijn opvoeding verzorgd op kostscholen. Mijn moeder was in het kraambed overleden. In mijn moeders familielijn ging het al generaties zo voort, wonderlijk en bovenal beangstigend. Ook ik was dus enigst kind en ik had bij mijn geboorte al zo groot ongeluk gebracht.
Met mijn vader had ik vrijwel geen contact, ook als ik tijdens vakanties thuis was. Speciaal voor de zomermaanden en de dagen rond kerstmis werd er een gouvernante aangesteld, een grijze dame uit het dorp, die als een kloek over mij waakte. Ze liet me nooit alleen, zelfs ‘s nachts niet, dan sliep ze in een door een porte-brisée met mijn slaapkamer verbonden vertrek, en de deuren naar de gang hield ze op slot. Als kleine jongen was ik niet anders gewend; in ons huis waren altijd veel deuren op slot.
Toen ik acht jaar oud was overleed ook mijn vader, totaal verzwakt door een uitputtende geestesziekte. Vanaf die tijd was ik niet meer in het huis teruggeweest.
Eigenlijk veranderde er met mijn vaders verscheiden niet zoveel voor mij: ik was opgegroeid op kostscholen, zoals in de jaren ervoor. Alleen ging ik in de vakanties niet naar huis. Erg was dat niet. Altijd was er wel een uitnodiging van een studievriend. En de laatste jaren zelfs steeds op hetzelfde adres. De ouders van mijn goede vriend Michael de Beaufort waren zo goed mij ieder jaar uit te nodigen in hun prachtige huis. En het was niet alleen met Michael dat ik het goed kon vinden. Na enkele jaren achtereen in de zomermaanden en tijdens de kerst een gast van de familie te zijn geweest, verloofde ik mij met Daniëlle, Michaels zuster.
Op mijn eenentwintigste verjaardag kreeg ik de volledige beschikking over mijn erfenis en besloot ik het huis - waarin ik weliswaar niet was opgegroeid, maar dat ik wel als mijn bakermat beschouwde - weer te gaan bewonen.
Daniëlle vond het prachtig. "Chistopher, hier wil ik oud worden", zei ze.

Eindelijk had ik een woonruimte zoals ik die mij wenste, met kamers waarin ik mij kon afzonderen en mij aan mijn studies wijden zonder gestoord te worden door lawaaiige medestudenten of goedbedoelende hospita’s, zoals ik dat de afgelopen jaren had meegemaakt tijdens mijn biologiestudie aan de universiteit.
De talloze reparaties en het behang- en schilderwerk namen maanden in beslag, want aan het onderhoud was niet veel gedaan sinds mijn vaders dood. Vaak vertrouwde ik op Daniëlles inzicht als de kleur van een behang moest worden bepaald of wanneer er nieuwe meubels moesten worden uitgezocht, en zij leek het heerlijk te vinden. Langzaam maar zeker werd het oude huis weer bewoonbaar en was het of ik er al weer jaren thuis was, zo vertrouwd was ik er geraakt. Daniëlle kwam dagelijks op bezoek.

Maar ‘s nachts was het huis onbehaaglijk, al wist ik niet waaraan dat te wijten was. Ik had mijn oude slaapkamer betrokken, die met de donkere glazen deur. De kamer was zeer gerieflijk, met uitzicht op het zuiden, waar de tuin, hoewel verwaarloosd, toch een vriendelijke aanblik bood. Maar wanneer ik na een tevreden dag mijn bed opzocht, overviel mij telkens een bange onzekerheid, de angst die iemand voelt als hij weet alleen thuis te zijn, maar toch het gevoel heeft níet alleen te zijn. Weliswaar kwamen overdag een werkster en een huishoudster om het huis op orde te houden, en de huishoudster zorgde verder nog voor een eenvoudig diner, maar daarna bleef ik alleen in huis. Ik wist dat ik mezelf over die angst moest heen zetten, dat ik niet meer de leeftijd had om toe te geven aan zulke kinderachtige angsten, maar toch deed ik iedere avond de grendel op de slaapkamerdeur. Soms was ik zo bang, dat ik de hele nacht verstijfd met wijdopen ogen naar het plafond bleef staren, en als ik zo afgemat was dat ik toch in slaap viel, werd ik bezocht door angstdromen.
Dit ging zo enkele maanden door en mijn gezondheid had te lijden. De oude huisdokter hield het erop dat ik overspannen was en dat ik aan dezelfde geestesaandoening leed waarvoor hij vroeger mijn vader had behandeld. Hij schreef mij rust voor en verandering van omgeving. Maar van dat laatste wilde ik niet horen. Ik had dit huis na zoveel jaren weer teruggevonden als mijn thuis, hier wilde ik blijven, en ik was vastbesloten uit te vinden waardoor mijn angsten veroorzaakt werden.
Op een avond lag ik in bed en de angst was erger dan ooit, ik durfde vrijwel niet te ademen. En wellicht was dat de reden dat ik het geluid kon horen! Een zacht, slepend geluid, zoals van iemand die bij het lopen zijn voeten niet optilt. Het was gruwelijk! De onzekerheid die ik tot dan toe had gevoeld sloeg om in de ontstellende wetenschap dat ik niet alleen was! En dat ik dat, zolang als ik in dit huis woonde, nog geen nacht geweest was! Mijn nekharen stonden overeind en ik huiverde of iemand de dekens van mij had weggetrokken, mijn hart bonsde in mijn keel en dat duurde tot ik van angst en vermoeidheid in een flauwte raakte.

De volgende morgen werd ik in een krampachtige houding wakker, stijf in al mijn ledematen. Ik besloot niet te ontbijten, maar onmiddellijk het huis te doorzoeken. Wat er vannacht ook was geweest, ik zou het vinden!
In geen van de slaapkamers was iets ongewoons op te merken en ook in de andere vertrekken niet, en ik wist - zoals ik dat eigenlijk al direct geweten had - dat ik in de kelders zou moeten afdalen. Ik huiverde.
Het huis was gebouwd boven kelders die daar al eeuwen lagen, kelders die onder een veel ouder, lang geleden afgebroken huis hadden gelegen. Grote, totaal verwaarloosde ruimtes met veel dragers waarop kruisribgewelven steunden en met ontelbare nissen in de oude muren. In de maanden dat ik hier nu woonde was ik slechts enkele malen in de kelders geweest en die bezoeken waren heel vluchtig geweest. Als kind was ik zelfs nóóit in de kelders geweest; de toegangsdeur was altijd op slot en mijn vader droeg de sleutel bij zich. De levensmiddelen werden bewaard in een later ingegraven provisiekamer onder de zuidvleugel van het huis.
Ik nam de grote sleutelbos, een lamp en een oude revolver en daalde de vochtige trap af.
In de voorste kelder, een immense ruimte, had ik elektrisch licht laten aanleggen, inspectie van die ruimte was dus niet moeilijk. Bovendien verwachtte ik niet daar iets aan te treffen, wat ik zocht vermoedde ik dieper in de kelders, op plaatsen waar al zoveel jaren niemand meer geweest was.
De eerste kelder stond via een open gang in verbinding met de tweede. Het werd hier donker, zodat ik mijn lamp moest ontsteken. Deze ruimte was zeker de helft kleiner dan de eerste, maar toch nog aanzienlijk: de lichtbundel van mijn lantaarn raakte de wanden niet. Nadat ik linksom de muur gelopen was, had ik achter in een deur ontdekt, een met ijzer beslagen houten deur zoals je die in middeleeuwse kastelen aantreft. Hierachter moest de oplossing van het geheim te vinden zijn.
Doodstil luisterde ik of er aan de andere kant iets bewoog, of er een geluid hoorbaar was dat of leven wees... Niets.
Behoedzaam duwde ik tegen de deur. Hij kraakte angstwekkend, maar gaf niet mee. Zonder veel hoop op succes begon ik nu alle sleutels aan mijn sleutelbos op het slot uit te proberen; als mijn vader de keldersleutels altijd bij zich droeg, zouden ze nu niet gewoon aan de sleutelbos hangen, meende ik. Maar daarin had ik mij vergist.
Met een knallend geluid opende het slot zich. Mijn hart bonsde in mijn keel en mijn benen begaven het bijna toen ik de deur opende. Krakend gaf hij een kleine, donkere ruimte prijs die zich door mijn lantaarn in zijn geheel liet verlichten. In het midden van de ruimte stond een reusachtige stenen katafalk, met op de dekplaat een gebeeldhouwde liggende vrouw, waarschijnlijk naar model van de overledene. Ik moest onmiddellijk denken aan het merkwaardige document dat mijn vader mij had nagelaten: ‘Het lichaam op de katafalk, de jonge vrouw wiens levenskrachten juist geweken zijn, wie is zij?’ Het leek me heel waarschijnlijk dat ik hier voor dezelfde katafalk stond, maar wat ik aan die wetenschap had, wist ik niet.
Het geheel was met voluptueuze barokke krullen afgewerkt en eiste alle aandacht op. Het duurde dan ook even eer ik opmerkte dat, behalve die waardoor ik binnen was gekomen, er hier geen deuren waren. En er was geen spoor van enig leven!
Dit kon toch niet waar zijn?! Ik wist zeker dat zich ook in de voorgaande twee kelders niets bevond, ik had iedere nis minutieus doorzocht. Ik kon alleen nog maar concluderen dat hetgeen ik zocht zich ín de katafalk bevond! Ik schrok van die gedachte, maar tegelijkertijd was ik opgelucht: ik had gevonden wat ik zocht.
Daar zich, als mijn vermoeden tenminste juist was, iets (of iemand?) in de katafalk bevond, moest deze dus ergens een ingang hebben. Zorgvuldig tastend zocht ik het stenen bouwsel af en inderdaad ontdekte ik een draaibaar ornament dat functioneerde als vergrendeling van het voorpaneel. Toen ik het ornament een kwartslag had gedraaid, scharnierde het paneel gewillig open: ik had de ingang gevonden!
Vanuit het donkere gat, waaruit de duisternis zich niet door mijn lantaarn liet verdrijven, kwam een onbeschrijflijke stank! Het deed enigszins denken aan de winterverblijven van de dieren op de universiteit, alleen was het veel zoeter. Of misschien was het een melange van geuren, ik kon er geen wijs uit worden. In ieder geval was ik duidelijk een stap dichter bij de oplossing van het raadsel.
Naarmate mijn opwinding steeg, nam mijn angst af. Ik vond dan ook al snel de moed de treden van de wenteltrap - die ik eerder voelde dan zag - af te dalen, ondertussen mijn lantaarn zoveel mogelijk naar beneden richtend, bedacht op gevaar. Maar er bewoog zich niets.
Na wel dertig treden of meer kwam ik terecht in een hoge ruimte die eerder aan een grot dan aan een kelder deed denken. De stank was hier verschrikkelijk. Het liet zich nu beter onderscheiden: de misselijkmakende lucht van rot vlees - een lucht die ik kende van een mislukte proefneming - en een overweldigende wolk heliotroop, een ouderwets parfum dat, volgens mijn vader, mijn moeder vroeger gebruikte. Na mijn moeders overlijden had mijn vader altijd een hekel aan die geur gehad, maar op de een of andere manier was die zoete lucht desondanks altijd in ons huis blijven hangen.
Ik was wel wat gewend, maar deze weerzinwekkende stank was meer dan ik aankon: ik kokhalsde. Het holle geluid kwam pas na lange tijd teruggekaatst, waaruit ik opmerkte dat ik in een bijzonder grote ruimte moest zijn. Ondanks het lawaai dat ik maakte bleef het stil in dit onderaardse, daaruit putte ik moed. Ik trok de oude revolver te voorschijn en hield die stevig omklemd. Met de andere hand scheen ik met de lantaarn voor mij uit, van links naar rechts zoekend, soms in een cirkel om mij heen schijnend. Langzaam schuifelde ik voort en gaandeweg verloor ik mijn gevoel voor richting. Nergens om mij heen was een wand te bekennen, slechts de zwakke schijn van mijn lantaarn in het blinde donker, als in een boze droom. Alleen het geluid van mijn voetstappen was te horen, van alle kanten weerkaatstend. Als hier een wezen huisde, was het doof. Of het was zo bang voor mijn aanwezigheid dat het zich schuilhield, en met dat laatste had ik ervaring: een dier in het nauw valt aan! Ik was buitengewoon voorzichtig, want zelfs als het wezen doof was, dan moest het licht van mijn lantaarn het toch gewaarschuwd hebben. Het kon dus haast niet anders of ik werd geobserveerd. Maar door wat? Ik gruwde.
Na een onzekere wandeling waarin elke minuut uren duurde, kwam ik aan een wand. Ik was blij eindelijk een oriëntatiepunt te hebben gevonden. Schuifelend en tastend volgde ik de wand, die was gekromd in een eindeloze, flauwe bocht. Er leek geen einde aan te komen. Eindelijk, na minuten vol donkere spanning, kwam ik aan een opening. Hier was de stank zo mogelijk nog erger. Speurend scheen ik de lantaarn naar binnen. Een kleine grot, als een nis in de immense grot waar ik juist doorheen gelopen was. Uiterst behoedzaam sloop ik naar binnen.
Wellicht kwam het door het sluipen: ik tilde mijn voeten onvoldoende op en stootte mij vervaarlijk. De plotselinge pijn was zo hevig, dat ik even stilhield. En juist op dat moment hoorde ik een geluid! Links van mij bewoog iets! Mijn nekharen rezen overeind. Met een snelle zwaai bewoog ik de lichtbundel in de richting van waaruit ik het geluid had gehoord. En wat ik toen zag, was vreselijk!...
Een menselijke gestalte op kromme pootjes. Sluik geelwit haar plakte om de sterk dooraderde membraamdunne hoofdhuid. In het gezicht gloeiden inktzwarte ogen, brandend van haat! Tussen de erg rode lippen blonken messcherpe witte tanden. In haar klauwen, die er haast uitzagen als vogelpoten, hield zij een dood konijn.
De aanblik van deze gruwel, en de kadaverstank die zij verspreidde, deden mij bijna flauwvallen, maar toen het wezen zich met een slepend geluid in mijn richting begon te bewegen, bleek mijn instinct tot vluchten sterker: gillend rende ik weg.
Wat mij op de heenweg zoveel minuten had gekost, duurde nu slechts luttele seconden. Hoe het kan, weet ik niet, maar ik rende regelrecht terug naar de wenteltrap. Ik vloog de treden op en sloeg het voorpaneel van de katafalk achter me dicht. Ik zag echter nog juist hoe ook aan de binnenkant een kruk zat waarmee het paneel geopend kon worden! Ik rende naar de deur en zag ook hier een kruk aan de binnenkant! De sleutels van mijn vader hadden dus altijd gediend om mij buiten te houden, niet om dit wezen binnen te houden!
Ik smeet de deur achter me dicht en rende door de beide andere kelders naar de trap. Ik vloog de treden op. Ook hier deed ik dezelfde ontdekking: een deurkruk aan de binnenkant. Met afgrijzen sloot ik de deur achter me en begon onmiddellijk een zware kast in de richting van de deur te verplaatsen.

Nadat ik op die manier de deur gebarricadeerd had, was ik iets geruster, maar nog steeds had ik mijn gedachten nog niet goed geordend. Natuurlijk had ik moeten vluchten en de hulp inroepen van bevoegde instanties - welke dat in dit geval ook waren - maar in plaats daarvan maakte zich een oerdrift van mij meester: er was een vijand in mijn huis en die zou ik verdrijven!
Allereerst haalde ik uit de la waar ik het maanden tevoren had weggestopt, het manuscript van mijn vader te voorschijn en las het nogmaals aandachtig door.
Het raadsel van de katafalk leek me wel opgelost, alhoewel ik nog altijd niet wist wie de jonge vrouw óp de katafalk was. Mijn overgrootmoeder? Dat kon zijn, uit een summiere familiekroniek wist ik dat zij in het kraambed was overleden; over haar kind werd echter niets geschreven.
‘De rouwdienst is echter nog niet voorbij’.
In de tijd dat mijn vader dit document schreef, was mijn overgrootmoeder al heel lang dood, haar levenskrachten waren dus niet bepaald ‘juist geweken’ zoals hier geschreven stond. En haar lichaam kon dus ook niet ‘nog ongeschonden in het graf’ liggen. En al dat feniks-gedoe over sterven en herrijzen?
Hier kreeg ik het griezelige idee dat dat monster daar beneden mijn overgrootmoeder zou zijn. Maar dat kon toch niet waar zijn?
En tenslotte die beverige, cryptische zin: ‘Geef de moeder aan de kinderen: bevrijd ze uit de toren!
Een toren heeft het huis wel, maar dat van die moeder en die kinderen...?
Vanuit de kelders klonk gekraak en haastig besloot ik op onderzoek te gaan in de torenkamer.

De torenkamer was eigenlijk geen echte kamer. Het was meer een architectonisch uitbouwtje midden op het dak, alsof de bouwer was uitgeschoten met het trappenhuis. De zolderverdieping was in al de jaren sinds mijn jeugd niet veranderd en toen ik terugkeerde in het huis had ik er het nut niet van ingezien ruimtes te herinrichten die ik misschien nooit zou benutten. Zodoende was alles nog in de staat waarin ik het had aangetroffen; ik had er slechts laten schoonmaken. Maar in de torenkamer kwam ik wel eens; er was een erker die een prachtig uitzicht bood over de landerijen en waarin ik een ruime fauteuil had laten plaatsen. Als kind zat ik al in die erker en droomde ik weg bij datzelfde uitzicht van vrijheid in bossen en velden.
Ook toen had ik hier nooit iets merkwaardigs opgemerkt; als hier iets verborgen was, dan had ik geen idee waar. Daarom besloot ik de muren aan een onderzoek te onderwerpen, net zoals ik dat bij de katafalk had gedaan. Mijn handen gleden over de wanden en klopten zo hier en daar om te horen of er verborgen ruimtes waren, alhoewel mij dit uitgesloten leek omdat ik meende dat de wanden direct aansloten op de buitenmuren. Maar dit bleek toch niet het geval: in de achterwand bevond zich een holle ruimte. Achter het beschot, dat zich makkelijk liet lostrek ken, vond ik een kistje, geheel van wit glas vervaardigd. Met bevende vingers opende ik het deksel. Er zat een rolletje papieren in. Maar juist toen ik de rol wilde open vouwen om te lezen, voelde ik het... Ik was niet langer alleen: met het openen van het kistje had ik gezelschap gekregen! Wat voor verschrikkingen had ik bevrijd?
Alsof ze wisten dat ik me van hun aanwezigheid bewust was, lieten ze zich nu plotseling horen, als huilende honden gingen ze tekeer! Ze gilden door het trappenhuis! Mijn instinct zei me niet te vluchten, maar ik hield het niet lang vol: met een onbeheerste zwaai opende ik de deur van de torenkamer en sprong de overloop op. Maar ook daar waren ze overal rondom me: furies uit een hogere wereld. Nu werd ik door paniek bevangen, ik raakte verlamd van angst, mijn benen weigerden dienst, mijn hart rende als een dolleman door mijn lichaam; er was geen ontsnapping mogelijk. Ze dansten om me heen, een uitzinnige vreugde dans: ik zat in de val!
Op dat moment, in een laatste, bijna onmenselijke poging, bundelden lichaam en geest zich weer tot een functioneel geheel en met al mijn kracht brak ik door de kring en rende naar beneden, de trappen af. Er kwam geen eind aan, leek het wel, ik raakte de treden niet. Ze zaten me op de hielen, dicht op de hielen, maar ze haalden me niet in. En toch waren ze sneller dan ik, dat vóelde ik. Op de een of andere wijze speelde ik het klaar het eerst beneden te zijn. Toen ik de glazen deur met een klap open duwde, gilde ik het bijna uit van angst, maar ik had het gehaald! Ik wist me veilig, ze konden niet door de glazen deur, net zo min als ze uit het glazen kistje konden ontsnappen, dat wist ik zeker! Ik stond te trillen op mijn benen en een golf van misselijkheid deed me naar adem happen. O God, wat een nachtmerrie! Waar kwamen ze vandaan? Een oervijand, overleverd uit vroeger eeuwen, uit duistere periodes waarin nog geen geschiedenis geschreven werd? Of kwamen ze uit mijn eigen geest, waren ze slechts hallicunaties, incarnaties van mijn eigen angsten? Was mijn geest in staat zo iets afschrikwekkends te pro duceren?
Op dat moment hoorde ik in de vestibule een schurend, slepend geluid, en ik wist dat ik ingesloten was!

In de minuten die volgden was het doodstil. Het monster in de vestibule bleef aarzelend voor het halletje staan en staarde mij door de glazen deur heen aan. Ik begreep niet waarom ze niet verder kwam, ze had zich door alle andere deuren heengewerkt om hier te komen. Bovendien moest het wezen zich vaak genoeg ‘s nachts door het huis hebben gesleept; deze glazen deur kon het probleem toch niet zijn? Wachtte het slechts tot de schimmen mij in haar armen zouden drijven, zoals zij in de grot had gewacht tot ik uit mezelf de nis was binnengestapt? Of was het ondier even bevreesd als ik voor de woedende fantomen in het trappenhuis? Na verloop van tijd kon ik niet anders dan concluderen dat de vijand wachtte tot ik me buiten het halletje zou vertonen, tot ik het beschermende glazen omhulsel zou verlaten.
Aanvankelijk zat ik verstijfd van angst in het midden van de kleine ruimte, precies tussen de glazen deuren. Maar na verloop van tijd ontspande ik iets en besloot het papier te lezen, in de hoop daarin mogelijk redding te vinden, of dan toch tenminste te weten te komen wat het voor wezens waren die mijn leven bedreigden. Ik las het volgende:

 

Feniks

Goudblonde haren tot op haar borsten,
En donkere amandelogen
Boven een elegant neusje
Dat zich sierlijk krommen kan
Als ze boos is.
Haar mond is welgevormd,
Met tandjes die in het maanlicht
Zo vervaarlijk kunnen flikkeren.

 

2 september 1899

Het is me gelukt! Deze schoonste aller vrouwen heeft erin toegestemd mij voor de tweede maal een kind te baren! De lamia heeft haar maal gehad, de feniks is herrezen; laat het tweede kind geboren worden!
Ik heb haar gesmeekt haar verbond met de onzegbare te verbreken, maar zij verzekerde mij dat dat niet mogelijk was. Toen heb ik haar gesmeekt mij dan tenminste toch een kind te schenken en zo ons beider leven voor de toekomst te verenigen. En daarin heeft zij na lang, lang aarzelen toegestemd!

 

5 september 1900

Het is afschuwelijk! En het is mijn schuld, ik wilde zo nodig een kind van haar! Direct na de bevalling zette het in, en het was een onomkeerbaar proces. O lieve Deirdre, je gestalte werd steeds gebogener en nietiger, en je haar werd almaar grauwer en dunner, totdat het als een nat, wit verenkleed om je hoofd geplakt lag, dat door de wijkende haargrens steeds verder bloot kwam te liggen zodat de veranderende contouren van je gezicht zich genadeloos aftekenden.
En in de maanden die volgden was steeds duidelijker zichtbaar hoe je neus - je mooie neus, ik hield van je mooie neus - zich kromde, en hoe zich scherpe plooien kerfden van je wijde neusvleugels naar je mond, die breder was dan ooit, steeds breder, met steeds smaller wordende lippen waarachter je tanden... steeds wítter en gáver werden! Prachtige roofdiertand jes, die een groteske indruk maakten!
Maar het ergst van alles waren je ogen. In kassen die steeds dieper lagen, trok uit je ogen het wit zich terug en de donkere pupillen namen een koortsige glans aan, waardoor je holle blik langzaamaan gevuld leek met gloeiende teerpoelen!
En ik had zo van je gehouden, ik hield zo van je!...

 

7 november 1900

Het is dus zo. Het afschuwelijke creatuur dat ooit mijn geliefde Deirdre was, heeft zich in de kelders teruggetrokken. Ik heb het gezocht om het te doden, maar toen ik het vond, kon ik het niet over mijn hart verkrijgen het iets aan te doen. Ze is mijn vrouw, de moeder van mijn kind; haar onsterfelijke schoonheid heeft zij op het spel gezet om mij een zoon te baren, en dit is de vreselijke prijs.
Zij gromde iets dat ik verstond als "Geef me hem! Geef me hem!" Maar ik heb haar gezegd dat ze hem nooit zou krijgen, nóóit! Ik heb de kelderdeuren voorzien van sloten. De deuren zijn weliswaar van binnen naar buiten gewoon te openen, zodat het monster ‘s nachts op prooi uit kan, maar als het zich ‘s ochtends niet door mij laat insluiten, zal ik het alsnog doden. Niemand anders zal ik tot deze helleruimte toelaten. En niemand zal deelgenoot worden van ons vreselijke geheim. Mijn zoon zal ik beschermen tegen dit wezen. Ik bid elke dag. Moge God verhoeden dat hij ooit haar medicijn wordt!

 

24 december 1907

Mijn bidden heeft vrucht afgeworpen. De zielen van haar geslachtofferde eerstgeborenen staan mij bij. Maar ik heb niet meer de kracht de kinderen bij de moeder te brengen.’

 

Hier hielden de dagboekaantekeningen op. Langzaam liet ik het papier zakken. Het beverige handschrift van de laatste notities verrieden de hopeloze gezondheidstoestand van mijn vader.
Hoewel ik me langzamerhand iets veiliger was gaan voelen in mijn glazen kooi, had ik toch niet de kalmte om direct te doorzien wat de dagboekaantekeningen van mijn vader mij vertelden. Koortsachtig zette ik alles op een rijtje:
- Mijn vader was - God vergeve het hem - getrouwd met een lamia, een duivels monster dat, om een menselijke gestalte te bewaren, haar eigen kinderen eet.
- Hij had een kind bij haar verwekt en zij had dat kind verslonden om haar schoonheid te bewaren.
- Maar mijn vader wilde een tweede kind, een kind dat zou blijven leven, en dat was ík geworden. Ik was dus een kind uit de verbintenis tussen een mens en een afschrikwekkend wezen dat ik slechts kende uit de Romeinse mythologie. Ik keek door de glazen deur naar het monster, dat mij niet aflatend aanstaarde, als om mij te hypnotiseren.
- En tenslotte waren er de geestverschijningen uit het glazen kistje, die nu gillend van woede achter de andere glazen deur wervelden.

Plotseling begreep ik alles! "Geef de moeder aan de kinderen!" Deze withete furies waren haar kinderen. Eén van hen was mijn broertje of zusje. Zíj waren de hulp die aan mijn vader was gezonden, in antwoord op zijn gebeden!
Nu was het aan mij om te handelen. Ik wist dat ik maar één kans had om te volbrengen wat mijn vader niet had gekund. Ik stelde mijzelf precies op tussen de twee glazen deuren. Ik beefde over mijn hele lichaam. Ik moest snel zijn, anders zou ik bezwijken. Met een ruk trok ik beide deuren tegelijk open!...
Van beide zijden stoven de uitzinnig krijsende verschrik kingen naar binnen. Er klonk een waanzinnig makend gekrijs. En een knetterend sissen, alsof een elektrische spanning werd opgevoerd...
Of er zoiets als een explosie heeft plaatsgevonden, weet ik niet. Alles werd zwart. Het laatste dat ik me herinner is dat ik kreunend in elkaar zakte.

Enkele uren later werd ik gevonden door Daniëlle. Ik lag nog in het halletje. Van de lamia en haar kinderen was geen spoor te bekennen. De dokter, die direct door Daniëlle was gewaarschuwd, raadde me dringender dan ooit aan rust te zoeken in een andere omgeving. Mijn verhaal hield ik maar liever voor me.
Toen ik later, uiterst verward, aan Daniëlle probeerde te vertellen wat er had plaatsgevonden, zei ze alleen maar: "Het is voorbij. Het is allemaal voorbij." En zelfverzekerd glimlachte ze me toe.

Rundale, 25 oktober 1921