de geschiedenis van de vleugels

Vermoeid sjokte de dodo voort, zijn vrouwtje aan zijn zijde. Ze had last van haar poten, het viel niet mee om het gewicht van de vetreserves in haar achterlijf mee te zeulen, maar ze klaagde niet. Het mannetje had hetzelfde probleem, per slot van rekening, en die klaagde ook niet.
Al urenlang vluchtten ze van hot naar haar, om te ontkomen aan die wrede kerels met hun stokken. Als die mensen na de broedtijd waren gekomen, als ze dat vet in hun achterste niet mee hoefden te dragen, misschien dat ze zich dan een veilig plaatsje hadden kunnen vinden. Alhoewel... waar moesten ze naartoe? De struiken waarachter ze zich hadden kunnen verschuilen waren grotendeels weggevreten door de sambarherten.
Waarom hadden de mensen al die vreemde dieren toch ingevoerd? De herten en de apen en de honden en de katten, die die ellendige scheepsreis niet meer wilden vervolgen als ze hier hun paradijs gevonden hadden en die de kuikens opvraten. En dan waren er ook nog de varkens, die het op de eieren hadden voorzien en met hun logge poten de nesten vertrapten.

Nee, het leven was er niet gemakkelijker op geworden. "Waarom kunnen wij niet gewoon wegvliegen, zoals de andere vogels," had het vrouwtje vertwijfeld uitgeroepen toen ze enkele uren geleden had moeten toezien hoe al hun buren door de mensen werden gevangen.
Ze had een luid misbaar gehoord en nieuwsgierig was ze komen toesnellen, evenals de anderen. Zij was als enige ontkomen. Het mannetje, dat op het nest was gebleven toen het gebeurde, kon nog steeds niet goed bevatten dat zij nu als laatste waren overgebleven. Maar toch leek het hem beter het zekere voor het onzekere te nemen en zo kwam het, dat zij hun ei en hun nest hadden achtergelaten en nu al uren dwalend op zoek waren naar een veilig nieuw plekje.
Veel waren ze nog niet opgeschoten, met dat achterlijf. Om de gedachten te verzetten, vertelde het mannetje de geschiedenis van de vleugels, zoals zijn grootvader hem die ooit had verteld.

"Lang geleden leefde er in een ver land eens een dodo die anders was dan de andere. Niet dat hij niet genoot van de knollen en de vruchten zoals de andere dodo’s, want dat deed hij zeker wel, maar het was hem niet genoeg. Ondanks al dat heerlijke voedsel kon hij geen voldoening vinden in zijn bestaan. Elk moment van de dag of nacht kon je door een gevaarlijk beest beslopen worden en opgegeten, en dat was geen leven, vond de dodo.
Hij wist zeker, dat er toch ergens op de wereld een plaatsje moest zijn waar je niet altijd maar in gevaar verkeerde, waar je zonder angst je ei kon uitbroeden en je kuiken kon opvoeden. En zo kwam het, dat hij op zekere dag een aantal gelijkgestemden om zich heen verzamelde en met hen het luchtruim koos, op zoek naar het land zijner dromen.
Ze hadden nog niet eens zo ver gevlogen, toen ze aan een groot water kwamen. Daardoor lieten ze zich natuurlijk niet afschrikken, ze waren jong en sterk en bovendien was een aantal van hen al eens eerder een brede rivier of een meer overgestoken en dat had nooit veel moeite gegeven. Maar na verloop van tijd moesten ze toegeven dat ze nog nooit zo’n breed water hadden gezien. Er gingen stemmen op om terug te keren, want de meesten waren moe, maar de eerste dodo zei: "Nee, we moeten doorvliegen, de terugweg is al te lang, dat halen we nooit. Je zult zien, als we almaar rechtdoor vliegen, komen we vanzelf aan de andere kant. Zo groot kan dit water toch niet zijn?"
Dat klonk verstandig en de vogels vervolgden hun weg.
Maar het water leek eindeloos en de een na de ander viel van vermoeidheid naar beneden en verdronk jammerlijk. Toch zat er niets anders op dan door te vliegen.
Na lange tijd zagen ze eindelijk land in de verte. Een paar huilden van geluk en een enkeling vergat gewoonweg te vliegen en stortte neer, maar de sterksten haalden nog eens diep adem en met een laatste grote krachtsinspanning bereikten zij het eiland. Want dat was het.
Erg veel dodo’s waren er niet over, maar zij die het gehaald hadden, prezen zich gelukkig: het was een heerlijk oord, alles was precies zoals zij het zich hadden voorgesteld. Er waren geen gevaarlijke dieren die hen stoorden bij het eten van de knollen en vruchten die hier in overvloed groeiden en ook hun kuikens werden ongemoeid gelaten. Eindelijk hoefden ze niet meer constant op hun hoede te zijn en te vluchten bij elke dreiging. En zo kwam het dan, dat ze verleerden te vliegen en dat hun vleugels verschrompelden."

"Gut, wat een raar verhaal," zei het vrouwtje. "Zou dat allemaal echt gebeurd zijn?"
"Wie weet," antwoordde het mannetje en hij wilde juist zeggen dat de meeste verhalen op waarheid berusten, want dat had hij wel eens gehoord, toen ze werden opgeschrikt door een luide kreet en ze zich gevonden wisten door de mensen. "Vlug!" riep het mannetje, "ren voor je leven!"
En ze renden voor hun leven.
"Dodaersbout, overgoten met het vet van een reuzenschildpad. Heus, kapitein, dat zal u best bevallen, zo bereid is het heel smakelijk."
"Bah," zei de eerste stuurman, de de woorden van de scheepskok had gehoord, "walgvogel!"
"Met het vet van een reuzenschildpad, hè?" zei kapitein Benjamin Harry, die net deed of hij de opmerking van zijn eerste officier niet had gehoord. "Dat doet me denken aan een gevaarte dat we ooit op het eiland Mascarenha hebben aangetroffen. De schildpadden daar waren zo enorm, dat we eens met z’n vieren op het schild van een ervan stonden en dan kroop het beest nóg voort! Toen we het monster hadden geslacht, kropen er wel tien mannen in het schild, zo immens was het!"
"Er zijn er trouwens niet veel meer over," ging de stuurman verder, zo zijn eigen gedachten volgend, "walgvogels, bedoel ik. Ik heb er vandaag een aantal mannen op uitgestuurd om te gaan jagen, en vanochtend kwamen ze nog terug met acht walgvogels, maar vanmiddag hadden ze er maar twee. Van mijn part zijn het de laatste ter wereld geweest!"
"Hm," zei kapitein Harry gramstorig, want hij vond het niet leuk als men niet naar zijn verhalen luisterde, maar verder zei hij niets, want hij had honger en besteedde zijn aandacht liever aan dodaers met schildpadjus.

***