DE DWAAS

 

Als alle anderen stond hij keurig in de rij opgesteld, wachtend om gewogen te worden. Een onafzienbare, slingerende rij. Met de snelheid van een serie omvallende dominosteentjes loste de rij voor hem op, maar achter hem groeide die even snel weer aan met juist gestorvenen, en God woog ze allemaal.
Op het moment dat hij aan de beurt was, ging de tijd opeens erg langzaam: God nam alle tijd die Hij nodig had. Zorgvuldig bekeek Hij Roburs goede eigenschappen, maar Hij vond geen voldoening in wat Hij zag. Vervolgens bekeek Hij zijn slechte eigenschappen maar weer was Hij niet tevreden. "Nee", zei Hij, "nee, geen vlees, geen vis."
"Maar Heer", verdedigde Robur zichzelf, "ik heb altijd geprobeerd compromissen te sluiten, me altijd moeite gegeven om beide partijen te vriend te houden, dat is toch zeker een goede eigenschap?"
"Nee", zei God, "dat is het niet." Hij schoof Zijn ronde brilletje op het puntje van Zijn vlezige neus en keek Robur over de glaasjes heen aan. "Als je werkelijk geprobeerd had om beide partijen te verzoenen met goede compromissen, zou dat inderdaad een verdienste zijn geweest, maar dat is niet het geval. Je hebt altijd geprobeerd je overal buiten te houden, je bent een miezer." God keek alsof Hij zojuist iets vies gegeten had. Hij draaide zich om naar Zijn engelen en zei: "Gooi die vent in de vergeetput." En Hij spoog op de grond en begon aan het wegen van de volgende ziel, zonder acht te slaan op Roburs jammerklachten.
De engelen voerden hem af en jonasten hem in de vergeetput, van je ene, tweeje, hoepla - en hij viel met toenemende snelheid in de donkere, wijde put. Hij viel en viel en viel. Langzaam maar zeker begon hij te vermoeden, dat er geen bodem was en dat hij altijd maar zou blijven vallen, en omdat hij dus de klap niet meer hoefde te verwachten, ontspande hij wat. Het verbaasde hem, dat ondanks het feit dat de hemel boven hem allang uit het zicht was, er nog altijd een diffuus licht straalde. Hij zag anderen vallen. Sommigen vielen sneller dan hij, sommigen langzamer. Waarom, dat kon hij niet verklaren. Misschien viel je hier wel net zo snel als je zelf wilde. Maar als om die gedachte te logenstraffen, nam zijn snelheid plotseling af en met een zachte plof landde hij ruggelings op een sponsachtige bodem.
Hij stond op en keek om zich heen. Anderen ploften naast hem neer. Sommigen sloegen een gat in de grond en bezeerden zich danig, sommigen kwamen met de schrik vrij, zoals Robur, en sommigen landden keurig met hun voeten op de veenachtige grond, als trapezeartiesten die zichzelf sierlijk aan een touw neerlieten. Roburs valsnelheid was een compromis geweest.
Om de regen van vallende lichamen te ontwijken, begon hij te lopen. Overal om hem heen dwaalden mensen. Hij kon niet zien waar ze naartoe gingen of waar ze vandaan kwamen, daarvoor was het te donker, maar er leek niets te veranderen, dezelfde veenachtige bodem, dezelfde duisternis. Pas toen hij een flauw hongergevoel kreeg, viel hem op dat rechts van hem de contouren zichtbaar waren van een muur die hij eerder door de duisternis niet had gezien, en plotseling werd hij overvallen door de angst dat hij hier in het hart van een reusachtig labyrint zat!
De muur was opgebouwd uit verweerde stenen en glinsterde van neerdruipend vocht. Tussen de voegen groeiden onaanzienlijke bleke zwammetjes. Hij brak er een aantal af en stilde er zijn honger mee, veel smaak hadden ze niet. Vervolgens likte hij het vocht van de muur. Nadat hij zijn honger gestild en zijn dorst enigszins gelest voelde, liet hij zich moedeloos zakken en ging op de veengrond zitten, zijn rug tegen de muur. Moest hij hier de rest van de eeuwigheid doorbrengen, in ledigheid? Hij sloot zijn ogen en rustte zijn hoofd op zijn opgetrokken knieën, zijn armen beschermend om zijn benen geslagen. Hij doezelde even in, maar zodra hij zijn evenwicht dreigde te verliezen, schrok hij wakker: hij zat rechtop in bed. Vanaf het kruisbeeld aan de muur tegenover hem, keek de Heer hem wezenloos aan.

Achteraf is het vaak merkwaardig, te zien hoe zich uit het verleden de toekomst losmaakt. Toen Robur het ouderlijk huis verliet, wist hij niet dat dat was om de rest van zijn leven te zoeken naar een manier om terug te keren. Wat is het bouwsel van het geluk? Een zuchtje wind, een briesje maar, en 't staat al op zijn fundamenten te schudden.
De kamer is ruim en hoog, zoals in een ziekenhuis uit de negentiende eeuw. Enige warmte ontbreekt. Het kale ochtendlicht in de hoge ruimte zet alles onbarmhartig tot in het diepste wezen te kijk, zodat het ingevallen stof tussen de letters i.n.r.i. van het metalen kruisbeeld boven de deur glanst als het zilveren haar van dokter Burchart. Het kruisbeeld is van 'de klokkenmaker', met wie hij deze kamer deelt. Bevorderlijk voor diens genezing zal het niet zijn.
De klokkenmaker is een ineengedoken zeventiger met een eirond hoofd. Bovenop dat hoofd is hij kaal, maar aan de zijkanten groeien zijn verlepte haren in een onverzorgde grijswitte krans. Hoewel op zijn jukbeenderen en op zijn kale hoofd levervlekken zichtbaar zijn, is het licht in zijn bruine ogen nog lang niet uitgeblust: als hij Robur tijdens hun gesprekken scherp aankijkt door het ronde brilletje op zijn vlezige neus, is het alsof hij niet náár hem, maar ín hem kijkt. Zijn welgevormde oren gebruikt hij met zorgvuldige concentratie, dat kun je zien aan de manier waarop hij zijn hoofd schuin houdt als de ander aan het woord is. Maar de beweeglijke trekken om zijn mond missen verfijning. Toch is hij een groot prater. Hij is hier opgenomen omdat hij dacht dat hij de woordvoerder van God was en in zekere zin was dat misschien ook zo: hij is emeritus hoogleraar theologie. Aanvankelijk was hij zo overtuigend, dat de medepatiënten hem met diep ontzag behandelden.
De klokkenmaker voelt zich volkomen thuis in dit oude gebouw. Als hij door de lege gangen loopt, werpt zijn nietige gestalte een schaduw van formaat op de hoge, kale muren. Van Roburs aanwezigheid getuigt slechts de galmende echo van zijn voetstappen, zodat hij timide de pas inhoudt.
Het Instituut is in de zeventiende eeuw gebouwd op de funderingen van een vervallen klooster en is daarna meermalen gerestaureerd; de laatste ingrijpende renovatie was omstreeks de eeuwwisseling, daarna is aan het groot onderhoud niet veel meer gedaan. De kamer die Robur met de klokkenmaker deelt ligt aan de achterkant en kijkt uit over ‘het park’: een uitgestrekt gazon met hier en daar wat bankjes. In het golvende gras staat een hoge appelboom. Tijdens zijn eerste dag hier, de eerste dag van mei, een paar maanden geleden, was een luidruchtige groep ganzen in een V-vormig lint door de helderblauwe hemel gevlogen, en op datzelfde moment was een briesje door de boom gegaan en had de witte bloesems zacht doen rillen als voorbode van wat komen zou. Een paar dagen later was de boom zijn bloesempracht verloren. Nooit was de aarde zo wit van afgevallen bloesemblad.
De versheid van het voorjaar heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een voedzame, kruidige warmte en de hemel is strakblauw, zonder een wolkje. Vanuit de diepte van het dikke zomergras sjirpt een sprinkhaan en vogels liggen met wijd gespreide vleugels op het warme gazon te zonnebaden. Vanuit het bos klinkt een verre koekoek en hoog in de bomen antwoordt een tortelduif. Dan is alles weer stil.
Achter het gazon neemt de beplanting toe, tot een ‘haag’ van ratelpopulieren het park tenslotte doet overgaan in een heus bos. Het zijn grote bomen, die kunnen ruisen als de zee, maar op een dag als vandaag, als er zo weinig wind staat, fluisteren ze alleen maar.
Het is hetzelfde bos als op het schilderij dat boven het bed van de klokkenmaker hangt en dat hij ooit tijdens arbeidstherapie heeft gemaakt. Dat was nog voor hij aan zijn klok begon. Al sinds de eerste dag heeft het schilderij Robur buitengewoon gefascineerd. Vanaf de eikenhouten lijst loopt een pad het bos in, maakt een bocht en verdwijnt in het groen. Waarheen?
Al zolang hij hier was en veel langer, had de klokkenmaker aan zijn klok gewerkt en hij had hem zo goed als af. Alles zelf gemaakt, alle radertjes en wieltjes en piefjes, en de klok liep echt! Hij wilde alleen het buitenwerk nog beschilderen en dan was hij klaar. Lentegroen of hemelsblauw. Het leek Robur allebei even lelijk.
In de namiddag, als de brandende zon begint te zakken, wordt het licht in de kamer gefilterd door de kruin van de appelboom die wuivende schaduwen op de muur tekent. Alsof het bos hem door middel van die boom wenkt. Maar van dokter Burchart mag hij zo niet meer denken.

***