DE FOLLY - een novelle
[...] de hypothese dat de hele scala van levende materie op aarde, van walvissen tot virussen, en van eiken tot algen, zou kunnen worden beschouwd als één enkel levend wezen, dat in staat is de atmosfeer van de aarde zodanig te beïnvloeden dat tegemoetgekomen wordt aan zijn behoeften als totaliteit, en dat begaafd is met vermogens en machten die ver uitgaan boven die van zijn samenstellende delen.
James Lovelock
***
OCHTEND
Als alle anderen stond hij keurig in de rij
opgesteld, wachtend om gewogen te worden. Een onafzienbare, slingerende rij. Met de
snelheid van een serie omvallende dominosteentjes loste de rij voor hem op, maar achter
hem groeide die even snel weer aan met juist gestorvenen, en God woog ze allemaal.
Op het moment dat hij aan de beurt was, ging de tijd opeens erg langzaam: God nam alle
tijd die Hij nodig had. Zorgvuldig bekeek Hij Roburs goede eigenschappen, maar Hij vond
geen voldoening in wat Hij zag. Vervolgens bekeek Hij zijn slechte eigenschappen maar weer
was Hij niet tevreden. "Nee", zei Hij, "nee, geen vlees, geen vis."
"Maar Heer", verdedigde Robur zichzelf, "ik heb altijd geprobeerd
compromissen te sluiten, me altijd moeite gegeven om beide partijen te vriend te houden,
dat is toch zeker een goede eigenschap?"
"Nee", zei God, "dat is het niet." Hij schoof Zijn ronde brilletje op
het puntje van Zijn vlezige neus en keek Robur over de glaasjes heen aan. "Als je
werkelijk geprobeerd had om beide partijen te verzoenen met goede compromissen, zou dat
inderdaad een verdienste zijn geweest, maar dat is niet het geval. Je hebt altijd
geprobeerd je overal buiten te houden, je bent een miezer." God keek alsof Hij
zojuist iets vies gegeten had. Hij draaide zich om naar Zijn engelen en zei: "Gooi
die vent in de vergeetput." En Hij spoog op de grond en begon aan het wegen van de
volgende ziel, zonder acht te slaan op Roburs jammerklachten.
De engelen voerden hem af en jonasten hem in de vergeetput, van je ene, tweeje, hoepla -
en hij viel met toenemende snelheid in de donkere, wijde put. Hij viel en viel en viel.
Langzaam maar zeker begon hij te vermoeden, dat er geen bodem was en dat hij altijd maar
zou blijven vallen, en omdat hij dus de klap niet meer hoefde te verwachten, ontspande hij
wat. Het verbaasde hem, dat ondanks het feit dat de hemel boven hem allang uit het zicht
was, er nog altijd een diffuus licht straalde. Hij zag anderen vallen. Sommigen vielen
sneller dan hij, sommigen langzamer. Waarom, dat kon hij niet verklaren. Misschien viel je
hier wel net zo snel als je zelf wilde. Maar als om die gedachte te logenstraffen, nam
zijn snelheid plotseling af en met een zachte plof landde hij ruggelings op een
sponsachtige bodem.
Hij stond op en keek om zich heen. Anderen ploften naast hem neer. Sommigen sloegen een
gat in de grond en bezeerden zich danig, sommigen kwamen met de schrik vrij, zoals Robur,
en sommigen landden keurig met hun voeten op de veenachtige grond, als trapezeartiesten
die zichzelf sierlijk aan een touw neerlieten. Roburs valsnelheid was een compromis
geweest.
Om de regen van vallende lichamen te ontwijken, begon hij te lopen. Overal om hem heen
dwaalden mensen. Hij kon niet zien waar ze naartoe gingen of waar ze vandaan kwamen,
daarvoor was het te donker, maar er leek niets te veranderen, dezelfde veenachtige bodem,
dezelfde duisternis. Pas toen hij een flauw hongergevoel kreeg, viel hem op dat rechts van
hem de contouren zichtbaar waren van een muur die hij eerder door de duisternis niet had
gezien, en plotseling werd hij overvallen door de angst dat hij hier in het hart van een
reusachtig labyrint zat!
De muur was opgebouwd uit verweerde stenen en glinsterde van neerdruipend vocht. Tussen de
voegen groeiden onaanzienlijke bleke zwammetjes. Hij brak er een aantal af en stilde er
zijn honger mee, veel smaak hadden ze niet. Vervolgens likte hij het vocht van de muur.
Nadat hij zijn honger gestild en zijn dorst enigszins gelest voelde, liet hij zich
moedeloos zakken en ging op de veengrond zitten, zijn rug tegen de muur. Moest hij hier de
rest van de eeuwigheid doorbrengen, in ledigheid? Hij sloot zijn ogen en rustte zijn hoofd
op zijn opgetrokken knieën, zijn armen beschermend om zijn benen geslagen. Hij doezelde
even in, maar zodra hij zijn evenwicht dreigde te verliezen, schrok hij wakker: hij zat
rechtop in bed. Vanaf het kruisbeeld aan de muur tegenover hem, keek de Heer hem wezenloos
aan.
***
Achteraf is het vaak merkwaardig, te zien hoe
zich uit het verleden de toekomst losmaakt. Toen Robur het ouderlijk huis verliet, wist
hij niet dat dat was om de rest van zijn leven te zoeken naar een manier om terug te
keren. Wat is het bouwsel van het geluk? Een zuchtje wind, een briesje maar, en 't staat
al op zijn fundamenten te schudden.
De kamer is ruim en hoog, zoals in een ziekenhuis uit de negentiende eeuw. Enige warmte
ontbreekt. Het kale ochtendlicht in de hoge ruimte zet alles onbarmhartig tot in het
diepste wezen te kijk, zodat het ingevallen stof tussen de letters i.n.r.i. van het
metalen kruisbeeld boven de deur glanst als het zilveren haar van dokter Burchart. Het
kruisbeeld is van 'de klokkenmaker', met wie hij deze kamer deelt. Bevorderlijk voor diens
genezing zal het niet zijn.
De klokkenmaker is een ineengedoken zeventiger met een eirond hoofd. Bovenop dat hoofd is
hij kaal, maar aan de zijkanten groeien zijn verlepte haren in een onverzorgde grijswitte
krans. Hoewel op zijn jukbeenderen en op zijn kale hoofd levervlekken zichtbaar zijn, is
het licht in zijn bruine ogen nog lang niet uitgeblust: als hij Robur tijdens hun
gesprekken scherp aankijkt door het ronde brilletje op zijn vlezige neus, is het alsof hij
niet náár hem, maar ín hem kijkt. Zijn welgevormde oren gebruikt hij met zorgvuldige
concentratie, dat kun je zien aan de manier waarop hij zijn hoofd schuin houdt als de
ander aan het woord is. Maar de beweeglijke trekken om zijn mond missen verfijning. Toch
is hij een groot prater. Hij is hier opgenomen omdat hij dacht dat hij de woordvoerder van
God was en in zekere zin was dat misschien ook zo: hij is emeritus hoogleraar theologie.
Aanvankelijk was hij zo overtuigend, dat de medepatiënten hem met diep ontzag
behandelden.
De klokkenmaker voelt zich volkomen thuis in dit oude gebouw. Als hij door de lege gangen
loopt, werpt zijn nietige gestalte een schaduw van formaat op de hoge, kale muren. Van
Roburs aanwezigheid getuigt slechts de galmende echo van zijn voetstappen, zodat hij
timide de pas inhoudt.
Het Instituut is in de zeventiende eeuw gebouwd op de funderingen van een vervallen
klooster en is daarna meermalen gerestaureerd; de laatste ingrijpende renovatie was
omstreeks de eeuwwisseling, daarna is aan het groot onderhoud niet veel meer gedaan. De
kamer die Robur met de klokkenmaker deelt ligt aan de achterkant en kijkt uit over
het park: een uitgestrekt gazon met hier en daar wat bankjes. In het golvende
gras staat een hoge appelboom. Tijdens zijn eerste dag hier, de eerste dag van mei, een
paar maanden geleden, was een luidruchtige groep ganzen in een V-vormig lint door de
helderblauwe hemel gevlogen, en op datzelfde moment was een briesje door de boom gegaan en
had de witte bloesems zacht doen rillen als voorbode van wat komen zou. Een paar dagen
later was de boom zijn bloesempracht verloren. Nooit was de aarde zo wit van afgevallen
bloesemblad.
De versheid van het voorjaar heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een voedzame, kruidige
warmte en de hemel is strakblauw, zonder een wolkje. Vanuit de diepte van het dikke
zomergras sjirpt een sprinkhaan en vogels liggen met wijd gespreide vleugels op het warme
gazon te zonnebaden. Vanuit het bos klinkt een verre koekoek en hoog in de bomen antwoordt
een tortelduif. Dan is alles weer stil.
Achter het gazon neemt de beplanting toe, tot een haag van ratelpopulieren het
park tenslotte doet overgaan in een heus bos. Het zijn grote bomen, die kunnen ruisen als
de zee, maar op een dag als vandaag, als er zo weinig wind staat, fluisteren ze alleen
maar.
Het is hetzelfde bos als op het schilderij dat boven het bed van de klokkenmaker hangt en
dat hij ooit tijdens arbeidstherapie heeft gemaakt. Dat was nog voor hij aan zijn klok
begon. Al sinds de eerste dag heeft het schilderij Robur buitengewoon gefascineerd. Vanaf
de eikenhouten lijst loopt een pad het bos in, maakt een bocht en verdwijnt in het groen.
Waarheen?
Al zolang hij hier was en veel langer, had de klokkenmaker aan zijn klok gewerkt en hij
had hem zo goed als af. Alles zelf gemaakt, alle radertjes en wieltjes en piefjes, en de
klok liep echt! Hij wilde alleen het buitenwerk nog beschilderen en dan was hij klaar.
Lentegroen of hemelsblauw. Het leek Robur allebei even lelijk.
In de namiddag, als de brandende zon begint te zakken, wordt het licht in de kamer
gefilterd door de kruin van de appelboom die wuivende schaduwen op de muur tekent. Alsof
het bos hem door middel van die boom wenkt. Maar van dokter Burchart mag hij zo niet meer
denken.
***
Er zitten tralies voor de ramen van het
Instituut om de patiënten tegen zichzelf te beschermen, waardoor Robur zich de eerste
weken nogal gevangen voelde, maar hij mag naar buiten wanneer hij maar wil, om op het
uitgestrekte terrein te wandelen. Achter het oude gebouw ligt een overdadig eikenbos waar
bloemen een kleurige waas over de bosbodem leggen en zoemende insecten af en aan vliegen,
een bos met door blonde struiken omkranste open plekken en met groene, majestueuze
varentapijten in het vochtige donker. Hij is nog zo in de war, dat hij iedere keer prompt
verdwaalt - laatst had hij zelfs een kabouter met een stofzuiger gezien! - het is heerlijk
om uit te waaien.
Aan de voorkant van het Instituut geeft een brede opening in de haag van populieren
uitzicht op een grijze laan. Wat was er gebeurd? Uit zijn verleden had zich iets
losgemaakt dat hem klapwiekend achtervolgde en een schaduw voor hem uit wierp... verdomde
demon! Zijn hart joeg het bloed door zijn lichaam - klopklop, klopklop, klopklop -
en nog ging het niet snel genoeg! Sneller sneller sneller! Maar uiteindelijk verloor hij.
De wereld vouwde zich op, met hem in haar binnenste, en hij zag het holle Niets! Het
scherm van warmte en beschaving was weggetrokken en daarachter gaapte een angstaanjagende
leegte!
"Klachten van depressieve aard", zei dokter Burchart, "neiging tot
zelfvernietiging."
Het is merkwaardig hoe slecht een mens
zichzelf kent: bij het beantwoorden van de meeste van dokter Burcharts vragen twijfelde
Robur. In zekere zin was die twijfel logisch: als je jezelf niet voor de gek zou houden,
zou je in een heleboel gevallen niet meer maatschappelijk kunnen functioneren. -
Bent u bang voor uitdagingen?' Je haalt diep adem en zegt: ' Integendeel! Zo
sukkelt een mens voort met zijn leugens. - Maar tegenover dokter Burchart kon hij zich
niet groot houden, die heeft een stem als een breekijzer. Toen Robur in het Instituut werd
opgenomen, was het eerste dat dokter Burchart vroeg: "Hoe vóelt u zich?" Er
knapte iets: pats! en hij was ter plekke in elkaar gezakt.
Omdat u het leven niet aankunt, verzint u er personages bij, zei dokter
Burchart. En dat zou best kunnen, God ja. Hoe meer invloed de wereld van zijn dromen
kreeg, hoe onwerkelijker de werkelijkheid werd. Hij verkeerde soms op plaatsen die nog
nooit iemand had gezien.
***
Toen hij hier net was stonden struiken en
boompjes nog wat onbeholpen in bloei en werd het uitzicht vanachter de tralies langzaamaan
omsingeld met nieuw groen. Voor het slapen gaan deed hij dan het raam open, legde zijn
handen om de tralies, en keek de nacht in, waar het laatste licht werd gefilterd door de
bomen. Het rook al naar zomergroen en alles was stil, alleen het voorzichtig ruisen van
het jonge blad was te horen. Soms had hij dan wel even vrede met het bestaan.
Dit zijn roerige tijden. Wij zoeken naar onze oorsprong als een kind dat zijn ouders kwijt
is. Keer op keer raken we de weg kwijt in een labyrint dat bevolkt wordt door goden en
godgelijke wetenschappers. Een eeuw van verwondering en afgrijzen: de eerste mens op de
maan, en tegelijk massagraven en wanhoop.
Toch had Robur altijd gewacht tot het leven echt zou beginnen, tot hij deelgenoot gemaakt
zou worden van het Geheim. Inmiddels wist hij beter. Soms dacht hij wel eens dat er niets
anders was dan een gigantische wachtkamer, waarin men elkaar aanstaart en eens kucht. Soms
laat iemand een boer of een scheet en dan wordt er afkeurend gemompeld of gelachen, dat
hangt er vanaf waar men zit, maar verder gebeurt er niet veel. Een treurig zooitje. Hij
zou er beter aan doen zijn zegeningen te tellen, maar hij voelde zich nu eenmaal het meest
thuis in neerslachtig moerasgebied waar in de ruisende regen het weeklagende geluid van de
bruingevederde roerdomp klinkt. Al veel te jong las hij de rouwadvertenties. Waar was het
wachten nog op? De duivel dirigeert, en zijn musici dansen in de vlammen. Is er een god?
Heeft het leven een hoger doel? Onzinnige vragen, maar je ontkomt er niet aan. We móeten
vragen stellen. Hoe geef je zonder hemel invulling aan het begrip eeuwigheid? En hoe schep
je een model dat een door de rede ingegeven zekerheid biedt dat het individuele leven
weliswaar eindig is, maar dat tegelijk de troost ingebouwd heeft van een progressie van
het menselijk bestaan? Een groei waaraan je daadwerkelijk kunt meewerken, zodat er een
rationeel tegenwicht is voor het gevoel dat het leven eigenlijk nutteloos en doelloos is.
Want telkens weer kwam hij tot díe ontmoedigende conclusie: dat het leven nutteloos en
doelloos is. Het leven, in ruimere zin, dient alleen tot het voortbestaan van zichzelf. En
het individuele leven is daar een stoffig en tijdelijk deeltje van. Het doel van het leven
is het Leven, dat is alles. Het stoffelijk bestaan reikt maar tot een punt van
verzadiging, dan heft het zichzelf op en gaat over in een andere vorm. De mens is geboren
uit het gesteente van de spugende Aarde die de stenen baart die afgesleten door weer en
wind de planten voeden die de dieren voeden. Het leven, ook het bewuste leven, is niet
meer of minder dan een hoge organisatiegraad. Maar is er een meerwaarde van de
samenstellende delen? En zat iedereen met die kinderlijke vragen?
***
Af en toe verwoordde de klokkenmaker zijn
levensvisie in een heus college en ook al was hij een oude man, hij zag de dingen nog
scherp. Maar nu leek hij vooral geagiteerd. Gebogen maar energiek ijsbeerde hij door de
ruime kamer heen en weer in zijn lange bruine kamerjas. De inrichting van de kamer was
sober, de witgepleisterde wanden waren hoog en de gebeitste planken vloer maakte het er
niet genoeglijker op. De klokkenmakers stem klonk hol. Hij sprak staccato en gaf zichzelf
nauwelijks de tijd adem te halen. Hij klopte driftig met zijn frêle wijsvinger op zijn
borst en zei: "Wij zijn niet zo wijs als we wel zouden willen zijn en het is maar de
vraag of de mensheid overleeft. Zijn wij wijs genoeg om het Brein van deze planeet te
zijn? De wereld is complexer dan ons beperkte denkvermogen kan bevatten en er zijn grote
onzekerheden." Hij gebaarde wanhopig, en keek tegelijkertijd Robur priemend aan.
Plotseling zag Robur de klokkenmaker als een dwaas maar wel vermakelijk mannetje.
"Als we onze blik afwenden van de grote nieuwe problemen die zich in deze tijd voor
de mens en de Aarde aandienen, als we verzuimen ons beleid daarop te baseren, dan bouwen
we op een vulkaan. Er staan de mens dan verschrikkelijke rampen te wachten - hongersnood
en oorlog - daar hoef je geen Nostradamus voor te zijn, om dat te voorspellen. We stellen
elkaar gerust en durven niet vooruit te kijken, maar als we dat niet doen, vallen we te
plétter." Het laatste woord sprak hij uit met een grote beeldende kracht, met zijn
tanden op elkaar. "O, natuurlijk kunnen we de boel net zo lang uit de hand laten
lopen totdat het explodeert. Of jammerend terugkeren naar kerk en religie..." Hij
gebaarde weids met zijn armen en trok zijn schouders op. "Maar we kunnen ook zoeken
naar een níeuwe weg, waarbij we een nieuw gevlochten dak van normen en waarden over de
samenleving spannen. Misschien wordt het tijd voor een Derde Verbond: een verbond van
mensen onderling. De wereld verandert. Het machtspunt komt steeds meer in een
wereldomspannend netwerk te liggen. Er zijn nieuwe kansen en voor de mensheid wordt het
hoog tijd die te grijpen. Nivelleren is een gewetenszaak waarvan niemand zich lijkt te
willen kwijten, maar als we willen overleven, moeten we eindelijk, éindelijk, gaan
delen!" Hij stond even stil, knikte met zijn hoofd om zichzelf gelijk te geven, en
daarna ijsbeerde hij weer verder en vervolgde zijn onderwijs. Hij gunde zichzelf zo weinig
tijd om adem te halen, dat hij soms gierend naar verse lucht moest happen, hij bleef Robur
daarbij doordringend aankijken. Die zat op de rand van zijn bed en keek naar hem op als
een student vanuit de collegebanken; de lange zinnen begonnen hem te duizelen, maar hij
wilde niet onbeleefd zijn, dus hoorde hij de klokkenmaker geduldig aan. Het was nog vroeg.
Hij had nog een paar uur de tijd eer hij zijn wekelijkse gesprek met dokter Burchart zou
hebben.
"Als alle landen een vast percentage van hun inkomsten bij elkaar zouden leggen en
dat bedrag dan weer naar inwonertal zouden verdelen, dan zou er zoiets ontstaan als een
mondiaal basisinkomen. Laten we zeggen: vijf procent van het mondiale inkomen in een grote
pot en dan een gelijkelijke verdeling per hoofd van de wereldbevolking. De controle over
de juiste besteding van de gelden kan geschieden door een Raad van Toezicht, bijvoorbeeld
een departement van de Verenigde Naties."
Hij keek Robur triomfantelijk aan. Die wist niet wat er van hem verwacht werd, dus knikte
hij maar geïnteresseerd.
"Natuurlijk, het is een beetje naïef, maar dat lijkt politiek wel vaker, dus dat zit
wel goed. Bovendien lijkt het me niet alleen ethisch te rechtvaardigen, maar ook een
machtige stimulans voor de wereldeconomie." Robur knikte nog maar wat heftiger.
Uitgeput ging de klokkenmaker op een stoel voor het hoge raam zitten. Zijn witte haar
lichtte op als een halo. Hij staarde naar de planken vloer tussen zijn pantoffels en deed
er het zwijgen toe.
Robur dacht dat zijn plicht als publiek er op zat en wilde juist stilletjes de kamer
verlaten, toen de klokkenmaker weer verder ging met zijn zedenles.
"Kijk, God is een uitvinding van de mensen zelf, en de duivel ook. God symboliseert
het 'goede' in de mens, het sociale, datgene wat nodig is om als soort succesvol voort te
bestaan. De duivel symboliseert het 'kwade', het asociale. God is niet meer dan een
begrip, een projectie van de menselijke behoefte aan geborgenheid en leiderschap. En dat
begrip leidt een amorf leven in het diepst van de kerk, een instituut dat al millennia
lang vorm geeft aan geestelijk leiderschap. Maar altijd pas achteraf, de kerk overhaast
niets, zij volgt haar volgelingen en stelt haar normen pas bij als zij daartoe door de
veranderde wereldse normen wordt gedwongen. En haar conservatisme verdedigt zij door op
haar verleden te wijzen, waarin ook onze voorvaderen genoegen namen met de kerkelijke
wetten. Het feit dat de kerk al duizenden jaren bestaat, verleent haar haar legitimiteit:
honderd generaties gelovigen zijn de huidige gelovigen voorgegaan en hebben elkaar
opgevoed in eenzelfde gehoorzame traditie."
Met een ruk richtte hij zich op en keek Robur woest aan. "Maar wij zijn godverdomme
niet langer onwetend!" Hij vloekte met een opmerkelijke gewenning. "Alhoewel
talloze bibberende zielen zich opnieuw gewillig door de religie bij de hand laten nemen,
is de God waar ooit de hele westerse wereld in geloofde, de God van de tien geboden, waar
iedereen van hoog tot laag zich door liet leiden of zich tegen verzette, de God die
achteraf zou zorgen dat het met terugwerkende kracht allemaal nog goed kwam, die God is
dood! En de staat vult die wonde plek niet. De staat kán die plek niet vullen, daartoe
heeft hij het gereedschap niet." Moedeloos schudde hij zijn grijze hoofd.
"Regels opstellen en met behulp van sancties zorgen dat die regels nageleefd werden,
dat ging hem meestal vrij goed af, maar leiding geven op het geestelijke vlak, nee, dat
heeft de staat nooit gekund, daarvoor heeft hij altijd de kerk nodig gehad. De kerk was de
bindende factor tussen verschillende bevolkingsgroepen, zelfs wanneer er meerdere
gezindten waren. Onderling leidde dat soms tot moord en doodslag, maar samen zorgden de
kerken voor iets wat de staat niet kon en kan leveren: moraal. God is een
geïnstitutionaliseerd gemeenschappelijk geweten." Hij articuleerde de lettergrepen
van deze laatste woorden met nadruk.
"En de kerk, de behoeder van dat geweten, had een fabelachtig instrument om de
gelovigen aan zich te binden: het hiernamaals. Daarmee kon het huis des Heren de mensen
beloven dat ze het later beter zouden krijgen...; met diezelfde belofte staat iedere
politicus voortdurend voor schut: zijn bedrog komt altijd uit."
Hij schoof het uiteinde van de ceintuur van zijn bruine kamerjas door zijn vingers,
centimeter voor centimeter, in een vertrouwd gebaar. "Ieder mens leeft zijn leven in
de beperking van de doctrines waarmee hij is opgevoed. Hoe meer hij die doctrines loslaat,
hoe vrijer hij is. Maar tegelijk ook kwetsbaar en onzeker en eenzaam. Zonder geborgenheid
zijn we niet anders als pasgeboren baby's die de veilige omsluiting van de baarmoeder
missen en zoekend met armpjes en beentjes om zich heen graaien. Het fundament is
weggevallen, alle eerdere beloftes bleken holle verzinsels, we hebben geen goden meer,
geen idealen. We zien geen verlichte toekomstmens en er is een onzekere situatie ontstaan.
Maar de leegte moeten we vullen met onszelf. Er is geen moraal behalve die welke wij uit
vrije wil scheppen. Aan ons de keuze." Strijdbaar keek hij op.
"Natuurlijk, de mens is een stumper die niet zonder steun kan. Maar misschien moeten
we een nieuw onderdak zoeken voor ons geweten, verhuizen naar een ruimere buurt. Voor mijn
part creëren we een nieuwe God, als we het niet zonder af kunnen, maar dan een God die
weer bij ons past. Speels."
Hij had zijn kaken fier op elkaar geklemd en keek strak voor zich uit, zijn ogen staarden
in het niets.
Een speelse God?! Robur moest er niet aan denken. Stilletjes sloop hij de kamer
uit.
***
Weelderige zomer. Het zonlicht speelde door de
groene takken en toverde helderwitte lichtvlekken op de bosbodem. In het zacht ruisende
bladerdek van de eikenbomen zongen merels en lijsters, en trage hommels vlogen gemoedelijk
zoemend tussen bloemen die zich lieten strelen door een zwoel briesje. Behalve een paar
vegen hoge sluierbewolking was de hemel helder en blauw.
Dit keer voerde Roburs wandeling hem naar een driesprong waar hij nooit eerder was
geweest. Aan de ene kant was een pad waar de bomen overheen gekromd stonden, zodat daar
een groene tunnel was ontstaan. En aan de andere kant - hij herkende het direct - aan de
andere kant was het pad van het schilderij van de klokkenmaker! Hét pad! Eindelijk zou
hij weten waar het heen leidde!
Op een drafje liep hij het smalle bosweggetje af en rondde de bocht...
Hij bevond zich op een open plek waarvan de bomen leken weg te groeien. Aan de rand, in de
halfschaduw, groeiden adelaarsvarens, een enkele jonge loot stond nog opgekruld als een
vraagteken. Er klonken geen vogels.
Een felle bundel zonlicht bescheen de kruiden en het droge gras, waarin vliegen en maden
zich tegoed deden aan een dode merel. Verder kon hij niet veel zien: alles verdween in een
vreemde vlek van licht. Toen hij opkeek, tekende de zon in de hoge, dunne bewolking zich
af als een wit lichtkruis in de strakblauwe hemel.
Een goddelijk teken!, dacht hij, dit moet een goddelijk teken zijn. Nu
komt er een antwoord.
Maar er kwam niets.
Vertwijfeld strekte hij zijn armen omhoog. "God", riep hij, "God, U die de
Aarde heeft geschapen, wat heeft U met ons voor?..."
Het kruis van zonlicht priemde in zijn gezicht, en, terwijl er geen onweer te bekennen
leek, klonk een daverende donderslag!>
Ontzet zonk hij op de knieën. Maar ondanks zijn ontsteltenis bleef hij vol verwachting
zijn blik omhoog gewend houden en zo bleef hij zitten, minutenlang.
Er kwam helemaal niets. Het was gewoon een oprisping uit de hemel geweest, meer niet.
Ontgoocheld stond hij op en keerde terug naar de driesprong.
Hij was nog niet ver gekomen, toen plotseling
een schrille kreet door het bos weerklonk. Zijn hart sloeg over van schrik. Even bleef
alles volkomen stil, dan klonk een geruis als van een majestueuze vleugelslag en door de
bomen verhief zich een witte gedaante. Of verbeeldde hij het zich maar, was het een
speling van het zonlicht? Het moment was te kort om er zeker van te zijn.
Hij haastte zich er naartoe. Het pad werd wijder. Zonlicht plensde neer, de lucht was
staalblauw, zonder genade, en eenmaal op de driesprong, leek het of in het licht... zag
hij dat, badend in een brandende poel van plenzend zonlicht, iemand lag, onbeweeglijk. Het
kon geen natuurlijke slaap zijn, zo gek was men zelfs hier niet, dus haastte hij zich naar
de roerloze, witte gestalte. Die ademde niet meer en zijn starre ogen zagen niets meer in
deze wereld. Het wasachtige gezicht kwam Robur erg bekend voor, maar hij kon het niet
thuisbrengen. Het moest een van de patiënten zijn; ze kwamen elkaar allemaal wel eens
tegen, vroeg of laat. Hij kon niets meer voor hem doen, dus rende hij terug naar het
Instituut, om de staf te waarschuwen.
Dokter Burchart kwam niet onmiddellijk mee,
hij moest aandringen. "Echt waar", zei hij, "er ligt een dooie kerel in het
bos!" Dokter Burchart keek hem schattend aan. "Vooruit dan maar", zei hij
eindelijk met een zucht. Hij sommeerde een verpleger mee te komen en op een sukkeldrafje
holden ze gedrieën het bos in.
Hoog in de kruin van een oude eikenboom klonk de rauwe kreet van een Vlaamse gaai en een
geschrokken eekhoorntje flitste met ijzingwekkende behendigheid door de takken. Het was
dokter Burchart aan te zien, dat hij erg van de hitte te lijden had, zijn hoofd liep
steeds paarser aan.
Toen ze eindelijk bij de plaats aankwamen waar even tevoren nog de dode gestalte had
gelegen, had een wolkje de lichtpoel opgelost en... het levenloze lichaam was weg! Er was
geen spoor van te bekennen.
Een kraai wondt zich met dorre geluiden op over hun verschijning. Dokter Burchart haalde
hijgend zijn schouders op, keek Robur ontstemd aan en mompelde iets wat hij niet verstond.
***
Zijn eerste grijze haren staan op de lijn van
een steeds hogere haarinplant. Je moet 't weten om 't te zien, maar toch, het leven gaat
zo verdomde snel. Een matte sluier hangt als herfstlicht over zijn geest: het gevecht met
de dood, dat het kenmerk is van alle leven, voltrekt zich in nevelen. Stel je voor dat je
een blik kunt werpen in de hel... dan komt het nooit meer goed.
"U neemt de dingen veel te serieus", zei dokter Burchart met die lichte spot in
zijn stem van mensen die weten hoe het in elkaar zit. "Wat verwacht u eigenlijk van
het leven?"
Dokter Burcharts spreekkamer ligt aan de voorkant van het Instituut. Vanuit de diepe erker
kijkt de kamer uit over een lange laan met flatgebouwen, die zelfs in het stralende licht
van deze dag grijzer dan grijs bleven.
"Ik zoek het geluk", antwoordde Robur. En nadat dokter Burchart zijn wenkbrauwen
in ironische verbazing had opgetrokken, voegde hij er schouderophalend aan toe: "Geen
permanent geluk misschien, maar iets waaraan ik mij soms kan laven, want het leven komt
maar op je af en je kunt er niet aan ontsnappen. Ons leven is een groteske vertekening van
de werkelijkheid, heb ik weleens gedacht - maar dat kan natuurlijk niet."
Dokter Burchart dacht even fronsend na en schudde verbouwereerd zijn hoofd.
"Soms voel ik me zo onwerkelijk, dat het is alsof ik op de grens van twee werelden
leef. Dan heb ik het gevoel dat de anderen er achter komen dat ik niet in hun wereld
thuishoor. Alles lijkt normaal, maar de sfeer is beklemmend en ik weet dat het ieder
moment verschrikkelijk kan misgaan."
Dokter Burchart zei niets. Hij keek beurtelings naar Robur en naar zijn brede handen op
het bureaublad. Toen schraapte hij zijn keel en zei: "U maakt uw eigen werkelijkheid,
dat is uw probleem."
"Maar doen we dat niet allemaal?" vroeg Robur.
"Ja," gaf dokter Burchart toe, "maar we verzinnen er geen personages
bij!"
"Nou, daar ben ik nog niet zo zeker van," reageerde Robur, "want ook als je
iets schept dat niet tastbaar is, dan heb je toch wel degelijk iets geschapen? Een boek,
een idee... God?!"
Dokter Burchart zweeg, deze discussie hadden ze vaker gevoerd. Robur verviel in een
peinzend staren.
Net als zovelen had hij zijn hele leven van noodoplossingen aan elkaar geknoopt en
ondertussen wachtte hij en hoopte. Wat was er gebeurd met de toekomst? Wanneer was dat
omslagpunt waarin hoopvolle verwachtingen verwerden tot sombere visioenen? In zijn hoofd
woedde een strijd tussen zijn emoties, de rede en een gevoel van religiositeit, en hij
moest een manier vinden die drie in symbiose te laten leven.
Dat gevoel van religiositeit waarmee hij was opgevoed, dat godsbesef, legde een zware
morele druk. Een god van goedheid, een vermoeide oude baas die verdriet had als je iets
verkeerds deed, zo leek het. Maar uiteindelijk had hij die god toch aan de kant gezet,
want een almachtige god die zoveel ellende op de wereld liet bestaan, kon hij geen god van
goedheid meer vinden. Hij vond hem een schoft.
Dokter Burcharts kuchje deed hem opzien. Hij besefte dat hij te lang gezwegen had. Dokter
Burchart glimlachte vormelijk en keek hem streng aan. Robur kon zijn vorsende blik niet
goed verdragen en draaide zijn hoofd af.
De transparante inrichting van de kamer deed de ouderwets donkere lambrizering fraai tot
haar recht komen. Meubels met verchroomde buisframes en bekleed met groen, krakend leer,
stoelen die lui achterover hingen, open kasten met ordners vol patiëntengegevens strak in
het gelid, en in een donkere hoek een computer waarvan de monitor een verouderd knalblauw
beeld gaf waarin de cursor rusteloos stond te knipperen. Het enige speelse element was een
kleine vitrinekast met tinnen mannetjes.
Dokter Burchart keek hem nog steeds streng en
nadenkend aan, maar hij zei niets. Ongemakkelijk gleed Roburs blik weer terug van diens
volle gezicht en ging de kamer rond: de computer, waarvan hij vermoedde dat hij vrijwel
nooit gebruikt werd, de ordners die zo en bloc stonden opgesteld dat ze de donkere kamer
een zekere autoriteit verleenden, de hoge ouderwetse ramen met uitzicht op de laan, en
tussen de twee ramen in, de vitrinekast. Wat moest die grote man achter dat grote bureau
in vredesnaam met die tinnen poppetjes? Robur sloot zijn ogen en verviel opnieuw in
gepeins.
Vroeger geloofde hij nog dat hij gered zou worden, maar de god waaraan hij zijn bestaan
had opgehangen, had hem verraden. Hij had zich weliswaar van Hem gedistantieerd, maar de
wond was nooit geheeld. Vanaf het moment dat je verstand het overneemt van je geloof, ben
je verloren en eenzaam; de demon uit je jeugd: Sinterklaas bestaat niet... God bestaat
niet... Het leven is twijfel en bedrog. Jaren later kwam hij erachter dat dát nou dat
beroemde existentialisme was dat niemand hem begrijpelijk had kunnen uitleggen. Het was
ook meteen duidelijk waarom niet: mensen van zijn generatie waren er praktisch mee
opgegroeid: geen goed of kwaad, geen zin of rede, behalve de door onszelf opgelegde.
Maar de moraal die daaruit werd gedistilleerd bestond evengoed nog wel uit de aloude
christelijke solidariteitsgedachte en daar werd maar zelden echt naar gehandeld. Dat komt
doordat het nooit de zachtaardigen zijn die de beslissingen nemen, maar altijd degenen die
het hardst schreeuwen of de hardste klappen uitdelen. Vanaf de geboorte tot de dood zijn
we elkaars vijand. Zoveel mensen die lijken te genieten van de chaos van het slagveld. Zo
weinig zelfopofferende liefde, zo veel zelfopofferende haat. Nog steeds dacht hij weleens
dat er een invulling moest zijn, een antwoord... troost... Hij was een van diegenen die
het niet kunnen stellen zonder hulp van buitenaf. God? dacht hij, dat is
onze gemeenschappelijke ziel die we tot leven hebben geroepen. Maar die we nu
verloochenen, nu de woorden sleets raken - sleetse woorden van een sleets gebed. Er is
nooit iets nieuws; nooit geweest ook, behalve toen het voor het eerst was... Ik geloof dat
ik het niet meer kan bevatten, dit leven, dat ik gek word! Het is teveel, veel teveel!
Godogodogod, wanneer is dit begonnen? Wie heeft ons dit aangedaan?... De duivel! De
godverdomde duivel! Verdomme! Er is nooit, nooitnooitnooit, godverdomme nooit... Duivel!
Er is nóóit een hof van Eden geweest!
In wanhoop keek hij op naar dokter Burchart, maar die maakte aantekeningen op een
blocnote. Hij wilde het wel uitschreeuwen. Maar hij zei niets.
Opeens hield dokter Burchart op met schrijven en keek hem scherp aan. "Met het
ontwijken van uw angsten hebt u juist een groeiende levensruimte voor ze geschapen, beseft
u dat?!"
Robur knikte. Hij zal wel gelijk hebben, dacht hij. Maar wat nu?
Hij liet al de wazige, bijna bevroren beelden de vrije loop: Alles is zo vaal. Waar
is de kleur? God van zoveel ellende, neemt U dit alles op Uw geweten? Woonde hij
maar diep verscholen in het bos. Hoorde hij maar het zuchtend kraken van de bomen in de
geselende wind. Eerst nog heel verlegen/ maar allengs woester/ buigen de bomen/ hun
kruinen naar elkaar/ en loeien het uit/ in het hart van de novemberstorm. Het liefst
zou hij een boom laten planten boven zijn graf, die zich kan voeden met zijn lichaam.
Hergebruik. Hij heeft een eikel ingeslikt, je weet maar nooit, en als hij ooit een boom
is, zal hij ademen, ádemen!
***
middag
De klokkenmaker had zijn klok, die bijna af
was, meegenomen naar de kamer, om er eens rustig naar te kijken.
Maar hij was helemaal niet rustig.
"Heb ik u al eens verteld over de grootheid van God?" vroeg hij. Het was een
dwingende vraag, maar eigenlijk niet aan Robur gericht, hij staarde psychotisch voor zich
uit. "Die is onmeetbaar. Stel je voor dat Hij bestond, dat zou wat zijn."
"Ja, dat zou wat zijn", antwoordde Robur. Hij voelde zich verlegen met de
situatie; tot dusver had hij de klokkenmaker meegemaakt als een lucide redenaar, maar nu
was er duidelijk een steekje los.
Als in een trance richtte de klokkenmaker een borende blik op Robur, zo'n blik als van een
geschilderd portret, die je door de hele kamer volgt, en hij zei dreigend: "Ik weet
het wel, u bent van de duivel, u bent gekomen om mij te testen!"
Robur deinsde achteruit; zo had hij de klokkenmaker nog nooit gezien. De klokkenmaker
barstte in een hartverscheurend lachen uit, sardonisch, met iets geknepens, iets van
laatste adem; hij zag er erg moe uit.
Plotseling trok hij zijn gelaat weer in de plooi. Alleen de felheid bleef.
"Aan wie moet ik de fakkel overdragen?" riep hij vertwijfeld. "Aan
wie?!..."
Robur durfde niet meer te antwoorden.
"Aan wíe?!" schreeuwde de klokkenmaker woest. "Het is allemaal voor niets!
Godverdomme!"
Met een wild gebaar greep hij zijn klok van de tafel en bracht zijn arm naar achteren om
te gooien.
"Nee!" riep Robur geschrokken.
Maar de klokkenmaker brulde: "Ik heb het gemaakt, dus ik mag ermee doen wat ik
wil." En als een wildeman smeet hij de klok tegen de muur in stukken.
Wankelend deed hij een paar passen achteruit en keek verwezen naar de verwoesting die hij
had aangericht. Toen zakte hij in en liet een enorme boer. Een schokkend geluid.
***
Na die ontluisterende opvoering van de
klokkenmaker was Robur regelrecht het bos in gelopen; hij had rust nodig, hij wilde
nadenken.
Boven het gazon achter het Instituut had het licht haast vloeibaar boven de grond
gehangen, maar het bos verdeelde het zonlicht op zijn eigen wijze. Het volle bladerdek van
de statige eiken dronk met grote slokken de warmte in. Een briesje deed de verhitte, zwaar
bebladerde takken zachtjes kreunen van genot en pijn. Tussen de bladeren liet een kleine
fitis zijn sprookjesachtige zang horen, hommels cirkelden van bloem tot bloem en snoepten
van de nectar en tussen de talloze bomen werd de schreeuw weerkaatst van vogels die elkaar
van veraf toeriepen. Tot de hoge kreet klonk van een overvliegende buizerd. Toen was het
stil. Alleen nog de snorrende roep van een argeloze tortelduif. De buizerd gleed laag en
wendbaar tussen de bomen en stootte zich op zijn prooi. Een korte schreeuw. Verderop klonk
het weemoedige koeren van een andere tortelduif.
Pas toen Robur dichterbij kwam, drong tot hem door dat zijn stappen hem automatisch op het
pad naar de driesprong hadden gevoerd, terwijl hij meende dat hij daar toch niets meer te
zoeken had. Maar de toekomst ligt vaak op plaatsen waar je het verleden hebt afgezworen.
De driesprong lag er verlaten bij, geen witte lijken in het zonlicht. Welke kant moest hij
op? Links was het pad van het schilderij, het pad naar de open plek waar hij het
lichtkruis had gezien. Daar wilde hij niet meer naar toe. Naar rechts dus, waar de
tortelduif verlaten en verlangend koerde. Toen hij haar zo dicht genaderd was, dat hij
haar bijna had kunnen aanraken, vloog ze klapwiekend op en verdween in de groene tunnel
van bomen. Robur volgde haar. De bomen stonden dicht op elkaar. Verderop was een zee van
deinende varens en langs het pad stonden boskruiden met zware, vermoeiende geuren,
bedwelmend. De duif vloog in trage, golvende bewegingen voor hem uit: toer-toer,
kirde ze, toer-toer.
Langzaam maar zeker voerde de groene tunnel hem naar een andere wereld. Het pad werd
breder. Langs de rand stonden witbloeiende hondsrozen waartussen een vroege kruisspin haar
web had gespannen. Hier maakte het pad een haakse bocht en vervolgens nog een en nog een,
en toen... heel onwerkelijk... hoorde hij een meisjesstem zingen. Een gedragen melodie,
als een hymne, maar ondanks het ingetogen karakter van het lied, klonk de stem helder. De
tekst was merkwaardig, hij verstond: 'Wer fängt jetzt zu weinen an? Es ist nur der
Hampelmann.'
Nog een laatste bocht, en plotseling stond hij op een open plek en werd verwelkomd door de
schetterende roep van een Vlaamse gaai.
Een bonte pracht van grassen en bloemetjes, er groeiden wilgenroosjes en ereprijs en
maagdenpalm. Een addertje lag in de schaduw van een paar dikke graspollen, vogels zochten
naar insecten, en duizelige vlinders fladderden in het trillende licht. Een fluwelen,
melkwit vlindertje vloog druk met zijn geaderde vleugeltjes fladderend over de open plek
en leidde Roburs blik naar de overzijde.
Onder een knoestige eikenboom zat een meisje van een jaar of twintig, met haar benen
gracieus onder zich opgetrokken. Ze had een ranke gestalte, volwassen, dat wel, maar nog
niet in volle vrouwelijkheid uitgedijd. Haar licht geprononceerde, ovale kin gaf haar
gezicht iets kinderlijks, maar de overrompelende, levendige glans in haar donkere ogen
stond daarmee in aangenaam contrast. Haar huid was licht gebronsd en ze had vloeiende
wolken ravenzwart haar. Haar stem was als een kabbelend beekje en het was onmogelijk niet
door haar lied en haar verschijning betoverd te raken. Ze was onschuld en verleiding
tegelijkertijd. Ze was goddelijk!
Robur probeerde te bedenken hoe hij haar aandacht moest trekken zonder haar aan het
schrikken te maken, maar dat was al niet meer nodig. Ze keek vrolijk op en groette.
"Dag meneer."
Hij was getroffen door haar aanblik, want wie
maakt zoiets mee: een meisje als een boomnimf, dat onder een eikenboom een lied zingt?
"Ik ben Angela", zei ze.
Verlegen met de situatie, knikte hij. Op de een of andere manier voelde hij zich betrapt.
Hij schraapte zijn keel en antwoordde: "Ik ben Robur."
"Wat een rare naam", zei ze. Het klonk zo ontwapenend, dat hij er niet boos om
kon worden.
"Waar kom je vandaan?" vroeg hij. Het was een onhoffelijke vraag, maar zijn
nieuwsgierigheid was oprecht, en ze reageerde op dezelfde ongeveinsde wijze.
"Ik kom van het landgoed hierachter."
Robur wist dat achter het bos van het Instituut nog een landgoed lag, maar men had hem
verteld dat het verlaten was. Dat was dus blijkbaar niet zo.
"En wat doe je dan hier?" Hij voelde zich nog altijd zo overrompeld, dat hij er
niet in slaagde wellevender te zijn. Altijd als hij in het bos liep, wenste hij dat hij
niemand tegen zou komen en als hij dan toch iemand tegen kwam, had hij de pest in. Maar
met deze bosnimf was het anders: hij was bang dat hij haar zou wegjagen.
"O, gewoon wat wandelen", antwoordde ze, "wat rondkijken. Mag dat niet?
Wilt u dat ik wegga?"
"Nee nee, natuurlijk niet, integendeel! Je mag hier wandelen wanneer je maar wilt,
maar het verbaast me, ik zie hier anders nooit iemand."
Ze glimlachte.
Inmiddels had hij enkele stappen in haar richting gezet, kleine groene vlindertjes
opschrikkend, die boven het hoofd van het meisje fladderden. Nu zag hij, dat het
moeilijker was haar leeftijd te schatten dan hij aanvankelijk gedacht had. Misschien was
ze ouder dan twintig, er was iets ondefinieerbaars aan haar uiterlijk. Dat maakte de
onschuld in haar gedrag des te opmerkelijker. Met haar donkere, brutale ogen staarde ze
onbevangen de wereld in. Haar mond stond een ietsje open en gaf haar voorkomen de
ontwapenende argeloosheid die voor sommige mannen onweerstaanbaar is. Ze was beeldschoon!
Hij wilde haar wel duizend vragen stellen, al wist hij nog niet welke, en al was het
alleen maar om haar hier te houden. Zelden, nee, nóóit eerder had hij dit meegemaakt,
dit gevoel van verzengende verliefdheid, deze wanhoop, dit gevoel nooit meer van iemand
gescheiden te willen worden, deze pijn van twee verschillende lichamen te zijn. Hij wílde
haar, alles in hem schreeuwde om haar. Hij wilde voor haar knielen, hij wilde haar
bezitten, hij wilde haar helemaal in zich opnemen, dit meisje dat hij nooit eerder ontmoet
had, dit meisje dat hij al duizendmaal ontmoet had. Hier was ze, echt!
***
De eikenboom was de strijd met de schimmels
aan het verliezen, maar nog stond hij daar, zijn knoestige stam vol korstmossen en algen,
en met goddelijke onverzettelijkheid pompte hij de levenssappen rond, want sterven wilde
hij niet. De lichtbundels die door de takken staken beschenen de hemelsblauwe dekveertjes
van een Vlaamse gaai, die rauwe kreten slaakte; het paste wonderwel bij de boom. Waarom,
dat wist hij niet, maar Robur voelde zich zo vertrouwd met dit alles, als hij nooit eerder
in zijn leven had gevoeld. "Is dit niet als het paradijs waaruit we ooit verdreven
zijn?" verzuchtte hij.
Angela stond op en schudde haar haren, die overvloedig als een zomerse regenbui langs haar
gezicht vielen, en plotseling straalde haar gelaat een aristocratische zekerheid uit. Waar
was het argeloze meisje van zoëven?
"We zijn nooit uit het paradijs verdreven," zei ze, "we hebben er alleen
een zooitje van gemaakt." Ze sloeg wat aarde en dode bladeren van haar rokje. Een
paar woelmuizen scharrelden door het gras.
"Misschien heb je gelijk," gaf Robur deemoedig toe. "Wij hebben de wereld
gemaakt tot wat die nu is. Maar we hebben alleen maar gebruik gemaakt van de middelen die
ons gegeven waren. Wisten we beter?"
Een afgevallen blad viel schommelend naar beneden, ze volgden het beiden met hun ogen.
Angelas gezicht stond ernstig. "De biosfeer is een ingewikkeld systeem,"
zei ze, "maar heel doeltreffend. Een regenererend systeem. Bijna lévend,
snap je?"
Verbouwereerd schudde hij van nee.
"Ik heb eens gelezen, dat als er maar een páár procent meer zuurstof in de
dampkring zou vrijkomen, dat branden dan onblusbaar werden. De Aarde zou in brand
staan!"
Robur trok verbaasd zijn wenkbrauwen op, over dergelijke dingen had hij nooit nagedacht.
"En geen brandweerman of regenbui die de brand zou kunnen blussen!" Ze lachte.
"En weet je waarom dat niet gebeurt, weet je waarom alles zo stabiel blijft? Omdat de
biosfeer het zélf doseert, daarom!" In haar ogen blonken triomfantelijke lichtjes.
"O...", zei hij.
"Ik ben heus niet gek", ging ze verder. "Ik beweer niet, dat de biosfeer
een levend wezen is, zoals jij en ik. Maar het is ook niet dood en levenloos. Het leven is
niet opgebouwd uit toevallige plantjes en diertjes; het is een gecompliceerd samenspel van
organismen, dat op veranderende omstandigheden kan reageren!"
"Met andere woorden", spotte Robur, "we kunnen rustig aanmodderen, het komt
wel weer goed. Nou, jij geeft ons een mooie vrijbrief voor kortzichtigheid."
"Nee", antwoordde ze, "zo eenvoudig is het niet, want zoveel als wij
ontregelen, dat kan Moeder Aarde niet zo snel verwerken."
Moeder Aarde. Het klonk alsof de planeet werkelijk haar moeder was.
"Maar als we de boel voor onszelf vergiftigen, en als we de reptielen, de vissen en
de meren, de vogels en de bossen en de zoogdieren uitroeien, dan gaat het Leven toch
verder. Ontelbare micro-organismen gaan door alsof er niets is gebeurd!" Ze lachte
smalend en spreidde haar armen als iemand die juist de overtuigende bewijslast heeft
geleverd. "Ecce homo," zei ze.
Bijen zoemden boven de witte bloemschermen van
een Gelderse roos waarmee een kamperfoelie zich onontwarbaar had verstrengeld, een vlinder
danste in het warme zonlicht.
"Geloof je niet in God?" vroeg hij.
Ze glimlachte en kreeg een ondefinieerbaar, wijs trekje om haar mond. "Bij oude
mensen zie je wel eens," zei ze, "dat wat je vroeger zo in ze bewonderde, heel
doorzichtig is geworden..." Ze haalde haar schouders op. "Zo heeft ook de
religie haar glans verloren. Alleen, God schaf je niet zomaar af, zonder er iets voor in
de plaats te zetten."
In de lage begroeiing was een ongedurige merel op jacht naar wormen. Voor de zekerheid
maakte een veldmuisje zich ritselend uit de voeten.
"Als we wat van onze toekomst willen maken", ging ze verder, "moeten we een
dynámisch denksysteem hebben, het moet kunnen veranderen, en groeien. Metafysisch
desnoods, maar het mag niet langer rigide en statisch zijn."
Hij knikte verbaasd. Wát een vrouw! Hij keek haar aan, maar haar fierheid verraste hem
zo, dat hij zijn ogen neersloeg. Op de bosbodem duwde een piepjong eikenboompje, niet meer
dan een parasolletje van gelobde blaadjes, zich een weg door wat dode bladeren, op zoek
naar zonlicht.
"Tijdens de klim moeten we onze eigen trap van toetsstenen bouwen," ging Angela
verder. "We moeten naar een nieuw toekomstbeeld, en dat wordt in de eerste plaats
ingegeven door de rede."
"Zijn we daar dan niet al eeuwen mee bezig?" vroeg Robur verbaasd.
"Misschien", antwoordde ze, "misschien ook niet."
De merel had een worm te pakken en deed verwoede pogingen hem uit de grond te trekken.
Angela nam Robur bij de arm en leidde hem een smal pad in.
"Door de culturele revolutie hebben we de evolutie de kans ontnomen verder haar werk
met de mens te doen. We zullen het vervolg zelf op ons moeten nemen, hoe griezelig dat ook
klinkt. We moeten de mens aanpassen aan de culturele veranderingen die hij zelf doorvoert.
Ik zeg niet dat dat goed is, maar het is onontkoombaar." Ze keek hem met een
berustende glimlach aan.
Een opgeschrikte egel schuifelde lawaaiig door de struiken.
"Maar..." zei Robur, "als we onze eigen evolutie verzorgen, dan zullen we
ons toch eerst moeten vrijmaken van al die dogmas en vooroordelen, lijkt me, voordat
we opnieuw beginnen."
"Vérder gaan," verbeterde Angela.
Hij knikte. "En God?"
Angela zuchtte bedachtzaam. "Wie in God gelooft, is dom", zei ze met zachte
stem, "maar wie niet in God gelooft, is net zo dom". Ze wees om zich heen. In de
verte sprongen een paar konijntjes weg. Het bos moest wel overtuigen, met zijn leven en
dood, schoonheid en lelijkheid, humor en ernst. "Er móet een Oorzakelijkheid
zijn," zei ze. "En van die Oorzakelijkheid maakt wat eruit geschapen is
onlosmakelijk deel uit. Zo kunnen we ons universum, en de biosfeer waar wij deel van
uitmaken, beschouwen als goddelijk, en onszelf als een deel van die god."
"Ja ja", antwoordde hij spottend. "Rest nog de vraag: wélk deel?"
Verongelijkt trok Angela haar licht gewelfde wenkbrauwen op. Opeens zag ze er weer heel
strijdbaar uit en dat gevecht wilde hij - eigenlijk, eindelijk - zielsgraag aangaan. Hij
voelde de wrede wil haar te onderwerpen, of desnoods door haar onderworpen te worden.
Maar Angelas boosheid was al verdwenen. Ze keek naar hem op en deed plagend zacht
grommend haar lippen even iets van elkaar, haar kleine witte tanden ontblotend: een zwoel
roofdier.
Ze ging verder. "Maar er is geen dwingende reden om aan te nemen dat die 'god' een
bewustzijn heeft, " zei ze, "en wellicht is er geen hoger doel dan leven om te
leven."
Ze waren inmiddels dieper in het bos. Hier en daar hadden donkere beukebomen het
overgenomen van de eiken. Eenzaam daartussen stond een taaie berk. Zijn zilveren stam was
gevlekt met een zwart, ruitvormig patroon en zijn takken zaten vol dichte woekeringen van
twijgen: heksenbezems. Hogerop was de stam wit, en dun als perkament. Kopergroene
korstmossen benadrukten de witheid. Witte glorie. Maar de dood zat er al in:
berkenzwammen.
"Terug op het uitgangspunt," zuchtte Robur. "Alleen nu met redenen omkleed.
We zijn dus tegelijkertijd oorzaak en gevolg, als ik het goed begrijp. En die
Oorzakelijkheid, waar komt die dan vandaan?"
Angela grinnikte. "De hemel?..."
De onschuld in haar gezicht was weer terug. Wat was ze mooi. Ze leek in oprechte verbazing
de wereld in te kijken, maar de ondeugende kussentjes onder haar ogen gaven haar oogopslag
toch iets speels. Was zon meisje niet een droombeeld voor een man als hij?!
***
Uitgelaten had Angela hem bij de hand genomen
en hem op een holletje achter zich aan getrokken. Ze waren in een donkerder deel van het
bos terechtgekomen. Het bos was hier veel ouder, de eiken hadden plaats gemaakt voor
beukenbomen en dennen, en het was stiller, het gezang van de vogels klonk gedempt. Een
woud waartussen het zuchten der eeuwen hoorbaar was en waarin de kleuren haast waren
uitgeblust. De stammen stutten een zwaar bladerdak dat maar weinig licht doorliet,
waardoor het hier beduidend koeler en vochtiger was. De bodem was gedekt met een kleed van
bruine bladeren en overal lagen takken die de voorbije herfst en winter door stormen
geveld waren. Bij een omgewaaide beukeboom stonden kussens heldergroen, verend mos. De
vermolmde stam was geglazuurd door een laagje kleverige porseleinzwammetjes en aan de
onderzijde was de boom begroeid met krullend, temperakleurig korstmos en een fluwelen huid
van schimmels.
Vanuit de donkere ondertoon van het bos klonk de roep van een bosuil: Hoe! Oehoew!
Whoehoe... - er kwam geen antwoord.
"Stomme uil," zei Angela.
Robur staarde dromerig voor zich uit. "Er is een raar verhaal over uilen," liet
hij zich ontvallen.
"O," zei Angela verheugd, "een verhaaltje!"
"Ja, ho..." krabbelde hij geschrokken terug, "het is niet zomaar een
verhaaltje, het is nogal eh..." God, in wat voor netelige situatie had hij zichzelf
nu weer gebracht. "Het is nogal eh... nou ja..."
Ze keek hem niet-begrijpend aan.
"Het gaat over pijn," verduidelijkte hij zuchtend, "Over pijn en
vernedering."
"Ah...", zei Angela, en een geamuseerd glimlachje plooide haar lippen. Haar mond
was aangenaam breed, met kleine, parelwitte tanden. Ze zette zich bevallig op een
omgevallen boomstam, waarbij de zoom van haar rokje opschoof en een groot deel van haar
mooie benen prijsgaf. Ze tikte uitnodigend met haar hand op de plek naast zich.
"Vertel maar", zei ze.
Ergens tussen de bomen klonk de lachende kreet van een groene specht. Wat had hij zich op
de hals gehaald?! "Nou eh..." stotterde hij. Angela had plezier in zijn
verlegenheid en haar lach gaf haar iets onweerstaanbaar brutaals.
"Vooruit dan maar. Maar ik heb je gewaarschuwd."
Wat bezielde hem? Waarom vertelde hij haar dit verhaal? Het kon toch haast niet anders, of
hij zou haar hiermee van zich vervreemden?! Hij haalde diep adem. "Het heet Ancilla
en de zwerver.
- De schemering geeft een diepe
geheimzinnigheid aan het ruisende bos dat het vakantiekamp omsluit. In de verte klinkt het
spookachtige geluid van een bosuil en de meisjes kruipen dichter bij elkaar. De kampleider
kijkt even op van het vuur en tuurt zwijgend tussen de donkere bomen, maar als het verder
stil blijft en er blijkbaar niets te zien is, richt hij zijn blik weer op het vuur. Bijna
onmerkbaar schudt hij zijn hoofd, dan zegt hij zachtjes: "Het is niet pluis in het
bos. Niemand praat erover, maar iedereen weet het: het bos deugt niet. Er was eens een
meisje... Ancilla heette ze. Ik herinner me haar nog goed. Ze was heel mooi, ze had
ravenzwart haar en donkere ogen, waarmee ze de wereld kinderlijk verbaasd in zich opnam.
Haar veter-espadrilles met een elegant sleehakje, dat toen in de mode was, sloten om haar
ranke lichtgebronsde enkels alsof ze een Grieks godinnetje was en haar zwierige rokje deed
mij bijna blozen van verlangen."
Een paar meisjes giechelden, maar de anderen sisten om stilte. De kampleider ging verder:
"Het was een late lentedag toen Ancilla ging wandelen in het bos. De bomen waren
heldergroen, vogels zongen in de takken en overal geurden de heerlijkste bloemen: anemonen
en wilde hyacinten en koninginnekruid. Ancilla plukte een kleurig boeket en vergat haar
omgeving. De ene bloem was nog mooier dan de andere.
Maar tegen de tijd dat ze een fraaie ruiker bij elkaar had, was ze hopeloos verdwaald.
Geschrokken keek ze om zich heen. Het paadje dat ze had gevolgd, was onmerkbaar versmald.
Van welke kant was ze gekomen? Oude esdoorns en beuken zagen op haar neer en Ancilla
voelde zich onbehaaglijk. Op goed geluk begon ze te lopen. Maar het bos werd steeds
donkerder. Al gauw was onder de schaduw van het machtige bladerdek niets te zien dan
grijze boomstammen, als de zuilen van een reusachtige basiliek. Ze was verkeerd gelopen.
Toen klonk achter haar plotseling het onheilspellende geluid van een bosuil: Hoe!
Whoehoe... Met een gil liet Ancilla de bloemen vallen en rende weg.
Na enige tijd bedacht ze, dat ze nu tóch de verkeerde kant op liep en ze dwong zichzelf
kalm te worden. Ze moest niet kinderachtig zijn, hield ze zichzelf voor, het was gewoon
een uil, niets bijzonders. Maar toen achter haar het donkere Hoe! Whoehoe...
opnieuw klonk en zelfs dichterbij, durfde ze niet om te keren en versnelde haar pas.
Zo liep ze wel een half uur en ze begon zich zorgen te maken: als ze niet op tijd terug
was in het kamp, zwaaide er wat, en het begon al te schemeren! Juist toen ze zich
voorstelde wat haar te wachten stond als ze te laat kwam, stond ze plotseling op een open
plek en in het midden daarvan, alsof het de spil van het bos was, stond een vervallen
huisje.
Er kringelde rook uit de schoorsteen, dus er zou wel iemand thuis zijn, dacht Ancilla. Ze
klopte op de voordeur, maar niemand deed open. Ze klopte nog eens. Niemand. Voorzichtig
opende ze de krakende deur. Binnen was het een rommeltje. Overal stonden potten en flessen
en in de grote haard hing een ketel boven het vuur waarin een vreemd soepje borrelde. Het
leek wel het hutje van een heks. Ancilla werd nu toch wel een beetje bang. Onzeker keek ze
om zich heen, maar er was niemand te zien. Toen hoorde ze voetstappen op het pad voor het
huis. Geschrokken trok ze zich terug in een nis. Een merkwaardig oud vrouwtje, met ronde
gele ogen, kwam schuifelend de hut binnen, ondertussen onverstaanbaar in zichzelf
mompelend. In het midden van de ruimte bleef ze staan en snoof aandachtig de bedompte
lucht op. "Wat is dat? Wat ruik ik? Een mensenkind?!" Snuffelend keek ze rond en
daar zag ze de arme Ancilla bibberend in een hoekje staan, met haar handen nerveus aan de
zoom van haar rokje friemelend.
"Wie ben je?" kraste het oude vrouwtje. "Hoe durf je hier zomaar binnen te
komen?!"
"Ik k-kan alles uitleggen, m-mevrouw. Ik b-ben verdwaald..." zei Ancilla met
bibberende stem.
"Ja, verdwaald ben je zeker!" riep het vreemde oudje. "De brutaliteit, om
in te breken in mijn huis!"
"M-maar..." protesteerde Ancilla zwakjes.
"Stil! Nog praatjes ook, je bent brutaal! Maar dat zullen we je snel afleren; ik zal
een passende straf voor je bedenken."
"N-nee! H-help!" jammerde Ancilla.
Maar het was al te laat, het oudje wees gebiedend naar haar bloes, die ter hoogte van haar
borsten uitrekte alsof iemand eraan trok en vervolgens openscheurde! De flarden vielen op
de grond. Beschaamd hield Ancilla haar handen voor haar blote borsten! Nu wees het oudje
naar haar rokje, dat met een scheurend geluid van haar lichaam viel; en daarna haar witte
onderbroekje! Ancilla had alleen nog haar veter-espadrilles aan! Bedremmeld probeerde ze
haar blootheid met haar armen te bedekken. Haar onderlip begon te trillen; wat overkwam
haar?
Met luide stem zei het oudje op een merkwaardig zangerige toon: "Meisje, meisje, met
je huilerige mondje, vier seizoenen lang verander je in een hondje; voor het betreden van
zijn hutje..."
De rest kon Ancilla niet meer verstaan, want het vrouwtje stak bezwerend haar handen naar
haar uit en met een plof veranderde ze in een hondje!
"Zo", sprak het griezelige mensje voldaan, terwijl ze Ancilla's bloes en rokje
van de vloer opraapte, "nog een stevige riem en het is klaar!" Van een plank
pakte ze een leren riem, die ze behendig om Ancilla's hals deed. "En nu moet je
worden uitgelaten", sprak het oudje.
uist op dat moment werd er bonzend geklopt en de deur werd opengeduwd door een grote man
op lompe schoenen. "Heeft u nog iets voor een arme zwerver die verdwaald is?"
vroeg hij bars maar respectvol.
"Amos!" riep het vrouwtje en ze lachte kakelend. "Net degene die ik nodig
heb! Kijk, dit ondeugende hondje is voor jou. Je zult veel plezier van haar hebben, ze zal
je leiden," en ze overhandigde hem de riem.
Amos haalde zijn schouders op. "Een opvretertje", zei hij, "net wat ik
nodig heb. Nou ja, misschien dat dit teefje me de weg kan wijzen door het bos, zodat ik
eindelijk eens de uitgang vind!" En met die woorden liep hij weer naar buiten, de
machteloze Ancilla voor zich uit dwingend. "Lopen teef!" riep hij en hij schopte
het arme beestje onder haar staart. Jankend liep het hondje voor hem uit.
Tevreden sloot de heks de deur van haar hutje; dat was dat!
Een heel jaar lang liep de vagebond met het
hondje door het bos, zonder ooit de uitgang te vinden. Vloekend koelde hij zijn woede op
het machteloze beestje.
Na precies een jaar gebeurde het wonder: het jankende hondje veranderde weer in een
meisje! "Lopen!" bulderde de zwerver juist. Toen zag hij dat zijn hond een
meisje was geworden. Hij zweeg verrast.
Maar al snel kreeg zijn ontstemming weer de overhand en hij haalde zijn schouders op.
"Ik heb je gekregen voor altijd!" bulderde hij. "Lopen, teef!"
Het is nu helemaal donker geworden in het bos. In de verte klinkt de roep van de bosuil. Eindelijk kijkt de kampleider op van het vuur; de meisjes zijn dicht tegen elkaar aan gekropen. "Het is nu al jaren geleden, maar nog altijd kun je ze in het bos tegenkomen, de mooie Ancilla en Amos de zwerver. Dus wees gewaarschuwd, meisjes: blijf altijd op het rechte pad!"" -
Het sprookje was uit. Robur durfde Angela niet
aan te kijken. Was ze geschokt? Van heel ver weg klonk nog de eenzame kreet van de bosuil,
verder was het stil.
Met een strelend gebaar raakte Angela even zijn arm aan. Robur haalde opgelucht adem.
***
"Het is niet verkeerd om je verlangens te
hebben," zei Angela, "zolang je anderen daarvoor maar niet de prijs laat
betalen."
Door haar van zijn verborgen lusten te vertellen, had Robur veel in zichzelf losgewoeld,
maar nu de heimelijkheid verdwenen was, voelde dat als een bevrijding en hij kon niet meer
stoppen. Hij vertelde en vertelde en vertelde, de zinnen vloeiden over zijn lippen, en het
pantser van zijn ziel begon te barsten.
Toen de woordenstroom eindelijk opdroogde, voelde hij zich helemaal leeg.
"Maar... je húilt!" zei Angela ontsteld. "Toe, niet doen... je maakt me
verdrietig."
En het was waar, hij huilde. Geen spier van zijn gezicht vertrok, maar hij huilde, al wist
hij niet waarom, want het was alsof hij nu niets meer voelde.
Een merkwaardig helder licht, dat op de aarde weerkaatste, deed de boomtakken aan de
onderkant wit oplichten, en gaf ze een feeëriek aanzien. Zachtjes trok Angela hem naar
zich toe en kuste hem.
Angelas kus was innig. Toen Robur zijn
ogen weer opendeed en haar aankeek, was ze zo mooi dat het zeer deed. Haar jong gezicht,
stralend van onsterfelijke jeugd, dronk de wereld gulzig in en hij, wanhopig en alleen,
hij wilde zich verbonden weten met haar, met zijn brutale liefdesgodinnetje.
Ze stond op, haar slanke, lichtgebronsde benen iets uit elkaar geplant. Een briesje deed
haar rokje lichtjes opwaaien maar gaf niets prijs. Hij kon zich niet langer beheersen en
knielde voor haar neer. Hij stak zijn open hand uit en trillend van begeerte verhief hij
hem langzaam onder haar rok... streelde haar. Hij keek op: haar vochtige mond stond iets
open en haar gespannen mondhoeken trokken haar onderlip iets naar beneden, zodat haar
witte roofdiertandjes zichtbaar waren, ze had haar ogen stijf gesloten, haar ademhaling
ging schokkend. Er liepen rillingen langs de binnenkant van haar dijbenen en het duurde
niet lang of een druppeltje geil trok een smal, nat spoor. Met zijn tong ving hij het op
zijn weg en volgde het spoor naar boven...
Ze slaakte een klein kreetje, als een jubelend vogeltje!
***
"Pak me dan, als je kan." Als een
hinde sprong ze weg.
"Wacht jij maar af," riep Robur en hij holde achter haar aan over het
kronkelige, verende bospad. Maar Angela bewoog zich zo bevallig over alle obstakels dat ze
al snel uit het zicht verdwenen was. Hij deed het maar wat kalmer aan.
Het pad was smal en hol, met fluwelen moskussentjes op de sponsachtige bodem en de hoge
zijkanten. Aan weerszijden waren bosbessenstruikjes met kleine rode bloemetjes in de
oksels van de kantige takken. Geelgroene wolfsmelk weerkaatste vlekjes zonlicht. De
vogelgeluiden klonken gedempt. Als opgeschoten uit Angelas voetstappen stond op het
pad een spoor van kleine witte bloempjes, als maagdelijke sterretjes, dat hem steeds
dieper het massieve beukenbos inleidde. Het pad werd smaller en smaller, een ondiepe geul
die tussen de grillige boomwortels van de met algen overdekte woudreuzen meanderde. Hij
voelde zich nietig. Door de ruimte van het bos klonk het holle geluid van een specht die
ratelend in een boomstam hakte. Wilde kamperfoelie kronkelde langs de stammen van
majestueuze bomen, er groeide klaverzuring en daslook en sterk ruikend muskuskruid. Hij
begreep dat het pad eigenlijk een droge greppel was, waardoor in de herfst en het vroege
voorjaar wel eens een regenbeekje stroomde. Door de gaten in het bladerdak verderop, nog
heel ver weg, pakten zich donkere wolken samen.
Nu was het pad vrijwel onzichtbaar, zo smal was het. En het was hier nog vochtiger. Van
mist verzadigde takken lieten waterdruppels op de bosgrond vallen, als kalme regen, en
water vloeide langs de boomstammen, púúr water. Tussen groene heesters hingen
nevelslierten in een melkwit licht en eeuwige dauw deed spinnewebben fonkelen, loom
brommend zochten bijen hun weg en van de bodem steeg de geur op van vochtig, dood blad. De
tijd ging hier langzaam en het bos zag eruit alsof het er al lag sinds het begin der
tijden.
Pas toen Roburs ogen aan het wazigwitte licht gewend waren, zag hij het bronnetje: uit de
grond welde water op, dat zacht lispelend zijn weg zocht tussen gladde kiezelstenen en
dikke moskussens. Daaromheen hadden hertenhoeven een warrige tekening in de bosgrond
geslepen. Natte boomstammen glansden in de mist en af en toe plofte een druppel van het
gebladerte op de gevederde adelaarsvarens eronder. De vochtige aarde wasemde verval en
nieuw leven. Een kleine poel was het, waar zinnelijke, schuwe wezens hun dorst kwamen
lessen.
En plotseling had hij het gevoel dat hij werd bespied. Hij zag niets of niemand, maar hij
vervolgde toch gehaast zijn weg.
Het bos werd opener. Helder zonlicht deed het
groen nog groener schijnen en het spoor van witte bloemetjes lag als dwarrelsneeuw voor
hem uit. Hij volgde het tot hij uiteindelijk bij een water kwam, waarachter in weidse
pracht de tuin van een oud landgoed lag. Daar moest Angela wonen.
Toen werden twee zachte handen voor zijn ogen gelegd en Angela's stem vroeg ingetogen:
'Wie ben ik?'
Voor hen, spiegelend in het verglaasde licht,
lag een vlietende stroom. Op een overhangende tak zat een kleurige ijsvogel met een visje
in zijn snavel, muggenzwermen dansten in de bundels zonlicht en geruisloos zwom een
ringslang met zijn kop net boven het water uit tussen de gele watergentiaan. De eerste
schrijvertjes liepen met hun platte voetjes kleine cirkels over het water, met hun
facetogen konden zij tegelijk zowel boven als onder het oppervlak zien; een frêle
waterjuffer vloog sierlijk over de ploeterende insectjes heen.
Het landgoed aan de andere oever gaf een weidse aanblik: aan de waterkant stond groot
hoefblad met zijn enorme bladeren en daarachter lag een verwaarloosd maar indrukwekkend
gazon. Met een helder gevoel van onontkoombaarheid wist Robur dat hij met zijn godinnetje
naar de overkant zou gaan, en alsof ze zijn gedachten raadde, zei Angela: "Zullen we
dan maar?" Ze wees op een klein bootje, waar een grote, witte zwaan bedaard omheen
zwom.
Ze stapten in. Hij wilde de riemen nemen, maar Angela gebaarde hem op de achterplecht
plaats te nemen. Zelf ging zij op het middenbankje zitten, pakte één van de roeiriemen
en duwde af. De stroom deed de rest.
Statig zwom de zwaan voor hen uit, zodat het leek of hij het bootje tussen de witte
waterlelies voorttrok. De weerspiegeling van de zon rimpelde als bladgoud over het
diepgroene water dat het beeld van Roburs gezicht in grillige schilfers brak. Maar
Angelas weerschijn! Even leek het of ze vleugels had!
De hemel was nog strakblauw, maar de rafelige
stapelwolken in de verte kwamen langzaam dichterbij. Onweer naderde.
Aan de overkant van het water werd het golvende grasveld van de verwaarloosde
landschapstuin onderbroken door struiken in harmoniërende kleuren, rododendrons,
azalea's, magnolia's en camelia's, en boomgroepen in groenvariaties van een overweldigende
rijkdom, met daartussen vlammend rode esdoorns. Doornige struiken in het immense, golvende
gazon benadrukten de verlatenheid. Op de achtergrond waren de ruïnes van het hoofdgebouw
zo door planten overwoekerd, dat ze nauwelijks zichtbaar waren; de natuur had haar plaats
hernomen. Maar woonde Angela híer?! Hij keerde zich om, om het haar te vragen, maar ze
was verdwenen. Hij draaide zich rond, maar zag haar nergens.
Alleen liep hij verder. In de omarming van de verwaarloosde maar prachtige tuin stond zo'n
aangenaam nutteloos bouwwerkje dat de Engelsen een 'folly' noemen. Strak gebeeldhouwde
treden, overgroeid door oranjegele korstmossen, voerden naar een talud waarop een door
Dorische zuilen omgeven rond tempeltje stond waarin een hoge poort was uitgespaard, een
schijnbaar nutteloze passage. Het tempeltje werd gesierd door levenslustige ornamentjes en
op het timpaan keken Gaia en de mens elkaar in de ogen. salva me stond eronder, maar wie
dat gold was niet duidelijk. Voor de poort stond een torso van Aphrodite, zo echt, dat het
leek te leven. Ze lachte een raadselachtig lachje: een indrukwekkende overgangsvorm tussen
levend wezen en standbeeld, tegelijk sterfelijk en eeuwig.
Hij liep om het gebouwtje heen, maar hij kon
Angela niet vinden. De zon scheen brandend op zijn hoofd. Even ruiste de wind over het
lange gras en bracht wat verkoeling, en juist toen hij zich ontspande klonk achter hem het
gerekte Whoe-Hoe van een bosuil. Geschrokken draaide hij zich om en speurde
de folly af, want daar was het geluid vandaan gekomen.
Pas toen zij met een nijdig rukje haar hals een halve slag draaide en hem recht aankeek
met haar grote gele ogen, zag hij haar zitten, bovenop de transen, als een witte
spookverschijning. Een albino-uil?
De uil knipoogde slaperig en leek haar interesse in hem al weer te verliezen. Ze sloot
soezend haar ogen. Nu hij de vogel ongestoord kon waarnemen, zag hij dat zij niet zo heel
wit was: haar buik was weliswaar bijzonder licht, maar haar rug en vleugels waren
zachtbruin.
Plotseling had de uil er genoeg van. Met een ruk richtte ze zich op, draaide haar brede
kop alle kanten op en keek toen borend op hem neer vanaf haar hoge uitkijkpost. Nog een
keer klonk haar waarschuwende Whoe-hoe-hoew. Toen vloog zij op, golfde
over het zinderende gazon en wiekte met bedachtzame slagen tussen de bomen door. Hij
volgde haar met zijn blik tot ze uit het zicht verdwenen was.
Op het moment dat hij zich weer naar het
tempeltje omdraaide, kwam Angela hem tegemoet. Ze was indrukwekkend wit en door het
meisjesgezicht braken nu duidelijk middelbare trekken heen. Hij kon zich maar amper
beheersen om voor haar neer te knielen, en eer hij wist wat hem bezielde, stamelde hij:
"Ik heb je altijd gezocht... Maar pas toen ik je vanmiddag voor het eerst zag,
besefte ik dat." Zijn stem beefde. "Alsjeblieft, laat me nooit in de
steek?..."
Het was een kinderachtige vraag, eigenlijk alleen maar bedoeld om zijn gevoel van
veiligheid te bevestigen. Hij wilde dat iemand hem bij de hand zou nemen, hem hielp de
stap te zetten naar de toekomst. Maar Angela keek onbewogen en sprak als een orakel:
"'Onzalig is de ziel die zoekt: uiteindelijk is het de dood die ons verlangen doet
naar leven."
Vertwijfeld keek hij haar aan, hij begreep haar niet. Toen ontspande haar gezicht.
"Kom," zei ze. En ze nam hem bij de hand.
Ze leidde hem naar de folly. Ze passeerden een
lege sokkel, liepen de drie treden naar het talud op en gingen het poortje binnen.
De enkele passen die volgden waren donker en koel, maar toen ze aan de andere kant van de
doorgang waren, kwam de zon weer te voorschijn. Hij brandde genadeloos op Robur neer. Het
licht was zo fél... een vlek van licht, een zee van licht, er was niets dan licht. En hij
begon te voelen, te beseffen, te begrijpen... in het Licht van de naderende dood...
ontelbare mogelijkheden zijn er, ontelbaar!
Maar de zon die zo in zijn ogen kleefde, veroorzaakte nu donkere vlekken, als inktdruppels
op een vloeiblad, en het was of hij weggleed onder een wateroppervlak dat zich rimpelloos
boven hem sloot. Hij zocht worstelend naar gedachten die hem bij dit afscheid konden
helpen, maar hij vond niets dan zijn verwarde verzameling herinneringen. En het was alsof
hij steeds sneller naar beneden gleed, tot het glijden overging in een vrije val. En
plotseling werd hij bang, en achter die angst doemde de Dood op, donker en dreigend en
onontkoombaar...
Pas op het laatste moment deed hij een stap terug. Néé! riep hij, Nee,
in gódsnaam! En hij liet zich ruggelings achterover vallen...
***
avond
(epiloog)
Hij werd wakker op de ziekenafdeling. Dokter
Burchart had hem gevonden, op de driesprong.
Zijn bed staat voor het open raam en het uitzicht is vrijwel hetzelfde als waaraan hij de
afgelopen tijd zo gewend is geraakt, zijn oude kamer is recht hieronder. Iemand ver weg
speelt pianomuziek: 'Wer fängt jetzt zu weinen an? Es ist nur der Hampelmann', en
een purperen waas aan de avondhemel geeft aan waar zoëven de zon is ondergegaan. Vanuit
de bomen aan de bosrand klinkt het eenzaam koeren van een tortelduif.
En nu begrijpt Robur wie hij gezien heeft in die poel van zonlicht op de driesprong, die
witte levenloze gedaante...
Door het open raam waait een briesje, en hij hoort de stem van Angela die zegt: "Kijk
hoe de wolken wegzeilen naar het einde en een nieuw begin, voel de wind in je gezicht, die
duizendmiljoen jaar geleden al waaide en over duizendmiljoen jaar nog zal waaien, hoor hoe
de bomen ruisen, ruik de geur van het gras en de bloemen... Lééf!" En
eindelijk barst het langverwachte onweer los.
Shantih shantih shantih
Marc Boelens
Verantwoording
Het citaat van T.S. Eliot (pagina 14/15) komt van The Waste Land. (Selected poems, A selection by the author, P.63, Uitgeverij Penguin, Harmonsworth, Middlesex, z.j.)
Voor het stukje over niet te blussen branden in geval van een paar procent meer zuurstof in de atmosfeer (pagina 38), ben ik schatplichtig aan James Lovelock en zijn Gaia-hypothese, die mij vervulde met een zie-je-wel-gevoel.
Shantih shantih shantih Hiermee eindigt T.S. Eliots The waste land. Shantih betekent in het Sanskriet zoiets als de vrede die alle begrip te boven gaat.