| Mijn beste, Sinds een week heb ik last van schimmen die me 's nachts bespoken,
zodat ik soms zo doorschijnend aan het ontbijt verschijn dat ik mijn tafelgenote doe
huiveren. Het zit zo. Vorige week ben ik met mijn school op werkweek geweest en sindsdien
lijd ik aan luiheid en angsten. Een werkweek lang heb ik alle kleine rampen doorstaan en
uitgeput keerde ik vrijdagmiddag terug. Niemand had zich onder de bank verstopt, ook al
voelde ik daar persoonlijk wel voor. Dat kinderen delicate wezens zijn, zoals sommige
professionele opvoeders beweren, wil ik hier met klem tegenspreken. Compassie met oude
leraren is er niet bij. Vier dagen en nachten lang breken ze de tent af en als je het
waagt daar iets van te zeggen, antwoorden ze: u bent zelf toch óók jong geweest?! En het
is waar. Laatst kwam ik een foto tegen waaruit blijkt dat ik ooit jong ben geweest. Het is
nauwelijks te geloven. Vergevingsgezind liet ik me door mijn gastheer over mijn ongemakken ondervragen, terwijl ik me de gebakken kreeft in eigen saus goed liet smaken. Speurtocht. De bomen gaven hun laatste roestige blaadjes
aan de wind mee, de vogels zaten kleumend op de zwartglimmende boomtakken, en de docenten
trokken er met de kinderen op uit. Het lopen ging me niet zo goed af, met die teen, maar
vanwege het nijpende lerarentekort kon ik niet verstek laten gaan. Van aanwijzing naar
aanwijzing dwalend, probeerde ik de aan mij toevertrouwde kinderen in toom te houden met
het vertellen van een spookverhaal, maar dat kon ze niet boeien. Spookverhalen hebben in
de loop der jaren aan kracht ingeboet, begrijp ik. 'Waarom ben je eigenlijk leraar geworden?' vraagt mijn gastheer met een sardonische grijns. Hijzelf staat al jaren niet meer voor de klas. Bij wijze van antwoord mompel ik iets over erfzonde en reïncarnatie en zie tevreden hoe hij bij de lamszadel en gefrituurde zwezerik een fles Château Clerc-Milon 5e Grand Cru Classé 1993 bestelt. Op de laatste ochtend, toen iedereen vermoeid terug liep naar de gereedstaande bussen, liep er een grote, zware, jongen voor me. Hij droeg een enorme rugzak. Ik kon het niet laten om achter hem aan te sluipen, mijn beide handen op de rugzak te leggen en die met steeds meer gewicht neer te duwen. 'God, wat is dat ding zwaar!', hoorde ik hem mompelen. Vanaf dat moment verheugde ik me al op de werkweek van volgend jaar. Bij wijze van dessert drink ik drie glazen cognac: A.E. Dor nr.8. Geeft mijn beroep mij geen recht diep in het glas te zien?! Je Marc |
|
|