Mijn beste,
Kabouters. Gek word ik ervan!
Halverwege een wandeling over de hei was ik op een terrasje neergestreken om een
verfrissing te gebruiken. Het viel mij op dat zich ter plaatse steeds meer oude
hippies verzamelden. Nieuwsgierig besloot ik een volgend glas bier te bestellen
en te wachten op wat komen zou. Lang hoefde ik niet te wachten: juist toen ik
aan een derde versnapering begon, liep men onder leiding van een witharige
sjamaan de hei op en schaarde zich om een indrukwekkende boom die zich vanaf de
grond vertakte. Daar nam men een contemplatieve houding aan, terwijl de sjamaan
verheugd in het rond begon te dansen.
Ik begreep weinig van de situatie en vragen durfde ik ook niet: mensen met
religieuze gevoelens kan men in deze onzekere tijden beter niet lastig vallen.
Maar enkele dagen later werd mijn nieuwsgierigheid beloond met een
televisieoptreden van de witharige sjamaan: het bleek dat hij in staat was
kabouters waar te nemen. Overal waar hij kwam, zag hij kabouters. Hij verklapte
aan de kijkers dat het niet alleen kleine aardmannetjes met rode puntmutsen
hoeven te zijn, maar dat ze hartstikke groot kunnen worden. Wel zo groot als
ménsen, en groter nog!
Reuzenkabouters, ik moest er niet aan denken.
Maar je hebt het niet voor het kiezen.
Ik maak er al enige tijd een sport van om te voorspellen voor welke winkel de
auto’s komen die aan de overkant van de straat parkeren: voor de stomerij of
voor de ernaast gelegen slagerij. De slager adverteert met drie warme
paardenworsten voor vijf euro, want hier in Hilversum zijn ze gek op paarden.
Dagelijks zie ik mensen te paard op de heide, en wanneer de paarden oud en der
dagen zat zijn worden ze opgegeten. Zo gaat dat.
Er is een duidelijk onderscheid: mensen die voor de stomerij komen rijden in
glanzend gepoetste auto’s en mensen voor de slagerij meestal niet. Bovendien
lopen die laatsten alsof ze in hun broek gescheten hebben of daarmee nog doende
zijn. Een enkele keer gaat er weleens een automobilist van een glanzend voertuig
de slagerij binnen of stapt een broekschijter naar de stomerij, maar dat iemand
beide aandoet is een zeldzaamheid.
Vandaag bezocht een mevrouw van onbestemde leeftijd de stomerij: roze
mini-jurkje met daaronder een knalrode pofrok, grote laarzen om haar witte
benen. Ze zag eruit alsof ze was weggelopen uit een reclame voor
aardbeienyoghurt. Het lijkt wel of steeds meer vrouwen zich kleden als vrouwtje
Piggelmee: rood, groen en paars, liefst in lagen over elkaar. Toch
reuzenkabouters!
Wilma, begaan met mijn toestand, schonk mij een glas La Chouffe in en
zette de fles voor me neer, zodat ik kon bijschenken wanneer ik daar behoefte
aan had.
Ik moet toegeven: bier maken kunnen ze, kabouters.
Proost,
je Marc
Marc
Boelens (Amsterdam 1956) studeerde Nederlands: literatuur, kunst & cultuur aan
de Hogeschool Holland in Diemen, vertaalde Lilian Peake's zinderende roman A
sense of belonging naar het Nederlands, is redacteur bij enkele
internettijdschriften (waaronder vanaf het begin bij De Gekooide Roos) en
schrijft poëzie en korte verhalen. In zijn vrije tijd mijdt hij verwoed elk
exemplaar van de reuzenkabouter.