Mijn beste,
Zaterdag 25 september, drie uur ‘s middags. Het moment dat ik nooit zal
vergeten, zo lang ik leef. Het moment van de landing.
Heus, een ballonvaart is leuk, ik kan het iedereen aanraden. Ik maak er ieder
jaar een. Van bovenaf ziet de wereld er heel anders uit. Kleiner. Vriendelijker.
Ongevaarlijk, bijna. Protserige villa’s met zwembaden worden teruggebracht tot
lieflijke huisjes met potsierlijk kleine zwembadjes; daar valt niet fatsoenlijk
in te zwemmen. Allemaal uiterlijk vertoon. Overal blaffen honden wanneer je laag
overvliegt, alsof de volle maan zelf boven de huizen zeilt.
Vooral als de brander uit is – zo’n ding maakt een teringherrie – is het
vredig. Vogels vliegen onder je langs, andere luchtballonnen glijden hoger of
juist lager door de lucht.
Zo ontdek je een wereld die anders verborgen blijft. Torens in de verte. De
spoorlijn, de brug over de rivier, een schoolplein met joelende kinderen die
opgewonden naar omhoog wijzen en zwaaien. Een pad tussen de velden met
uitgeholde bandensporen, koeien die uiteen stuiven als de schaduw van de ballon
overtrekt, ergens kraait een haan. Dan het bos, dat zich als een veld groene
kolen uitstrekt tot het ten slotte in de blauwige einder verdwijnt, populieren
ruisen zachtjes. En op vijfhonderd meter doet de piloot zijn kunstje: de
‘bodemproef’! Keihard springt hij op en neer, zodat iedere passagier bleek
wegtrekt van schrik.
Maar dit keer kwamen we niet tot vijfhonderd meter. Bij lange na niet. Het ging
al helemaal fout toen we opstegen. De brander ging uit. Normaal gesproken is er
dan nog niet veel aan de hand: gewoon weer aansteken en je vliegt verder alsof
er niets gebeurd is. Maar dit keer ging die vlieger niet op (als ik die
beeldspraak mag gebruiken): de brander wás uit en blééf uit.
We zaten met maar drie personen in de mand. De piloot was zeer ervaren; ik had
al vaker met hem gevlogen. De vorige keer scheerde hij letterlijk over de
boomtoppen, zodat de inzittenden ‘m aardig knepen.
Toen hij nu dan ook begon te vloeken toen de brander niet wilde aanslaan, begon
ik te lachen. Mij zou hij niet meer zo makkelijk in de maling nemen.
Maar hij besteedde geen aandacht aan mij en werkte koortsachtig verder aan de
brander. Intussen waren we aardig uit koers geraakt, in plaats van weilanden
verschenen er huizen onder ons. We waren in een buitenwijk van een stadje
terechtgekomen. En de ballon bleef dalen. De huizen werden allengs groter en het
vogelperspectief begon te verdwijnen. We scheerden rakelings over de daken en
toen gebeurde het onvermijdelijke: met een enorme klap boorde de mand zich in
het pannendak van een huis. De ballon dreef lobbig over onze hoofden verder en
trok de touwen strak. Maar de mand had zich stevig achter de nok vastgezet. Mijn
zenuwen werden aan flarden gescheurd. Iemand schreeuwde. Alles schreeuwde: de
touwen, de wind. Nog steeds trok de leeglopende ballon met grote kracht aan de
lijnen en de dakpannen konden zoveel geweld niet aan. Krakend braken ze in
stukken. De mand schoof nu over de nok heen en kapzeiste. We moesten ons stevig
vasthouden om niet uit de mand te glijden. We hingen nu ondersteboven op het
schuine dak. De ballon was inmiddels dermate leeg dat hij neerzakte op de grond,
de voortuin, aanpalende tuinen en de straat daarvoor ruim toedekkend, als een
grondzeil voor de winter. De touwen verslapten. Maar het gevaar was zeker niet
geweken: als de mand zou gaan glijden, dan zou die ons verpletteren. Zo’n ding
weegt vele honderden kilo’s.
Achter de tuinen verzamelden zich voorbijgangers. De meesten schenen het wel
lollig te vinden. Er werd gelachen en gewezen. De piloot hield zich met één
hand vast en belde met de ander hand het alarmnummer. Er klonk een monsterachtig
geluid. Krakend begonnen opnieuw dakpannen het te begeven onder het gewicht van
de mand.
‘Blijf stil zitten!’ waarschuwde de piloot. Maar dat had hij niet hoeven
zeggen. Mijn medepassagier en ik haalden zelfs nauwelijks adem. Mijn maag zat in
een strakke knoop van angst.
Het leek een eeuwigheid te duren, maar in werkelijkheid verstreken er nog niet
eens tien minuten, voordat de sirenes van de brandweer weerklonken. Een
hoogwerker reed over de leeggelopen ballon naar het huis en het bakje, met
daarin een brandweerman, werd op hoogte van de mand gebracht. Daarmee bracht de
brandweerman zichzelf ook in gevaar, want de mand kon nog steeds gaan schuiven
en dan bakje, brandweerman en al meesleuren. Maar het ging goed. Mijn
medepassagier liet zich als eerste uit de mand glijden, het bakje in. Hij werd
veilig naar beneden gebracht. Nu was ik aan de beurt. En ook dit keer gebeurden
er geen ongelukken. Ten slotte werd de piloot bevrijd.
Hoe de mand van het dak moest worden gehaald, was me een raadsel, maar de
brandweerlui zeiden dat het allemaal wel goed zou komen met een kraan van een
naburig bouwbedrijf.
Ik weet niet zeker of ik volgend jaar weer een vlucht zal maken, maar in ieder
geval eindigde deze met een spannend artikel voor de plaatselijke krant en een
spectaculaire foto.
Ik wens je behouden vaart,
Je Marc
Marc Boelens (Amsterdam 1956) studeerde
Nederlands (literatuur, kunst & cultuur) aan de Hogeschool Holland in Diemen. Hij is
enkele jaren werkzaam geweest als leraar Nederlands en hij vertaalde Lilian Peake's
zinderende roman A sense of belonging naar het Nederlands. Vanaf het begin is hij
redacteur bij De Gekooide Roos. Hij schrijft korte verhalen en jeugdboeken. In
zijn vrije tijd doet hij iets met gebakken lucht.