Mijn beste,
De herfst is definitief overgegaan in winter. Wanneer men door het bos loopt, knappen
onzichtbare twijgjes onder de natte bladeren. Het waterige zonlicht wordt door het kale
takkenpatroon van de bomen gefilterd en doet de natuur er grimmig uitzien. Schimmels,
algen en mossen hebben het bos overgenomen. Over de velden ligt een strogele glans. Ook de
klanken zijn anders: veel vogels zijn zuidwaarts getrokken en diegene die zijn
achtergebleven maken klagende geluiden.
Al enige maanden verblijven Wilma en ik in Wassenaar, in een leegstaand huis van vrienden.
Wij zijn in retraite, zogezegd. En dat alles vanwege een onverkwikkelijke burenruzie. Je
vraagt de buurman vriendelijk die Frans Bauer eens wat zachter te zetten en direct ben je
verwikkeld in een splijtend en misdadig conflict. Op aanraden van schrijver Lodewijk
Wiener (zie zijn werk in De Gekooide Roos, boekhandel of bibliotheek), die ik enkele van
de daardoor ontstane psychische problemen had voorgelegd, ben ik voor de spiegel gaan
staan - geheel gekleed, zodat ik niet afgeleid zou worden door onaangename details: ik zag
een vermoeide, goedwillende man met een ziel te oud voor zijn jaren. 'Sadder but wiser',
zo drukte Wiener het uit. En die buren... ach, ze zijn al zielig genoeg: geen vrienden,
altijd onderling ruzie: het zij ze gegund.
Nu gaan we maar verhuizen. Rotterdam begon me sowieso een beetje tegen te staan. Bovendien
is de vloerbedekking aan vervanging toe. Misschien is het ook wel goed om periodiek te
verkassen. Alle oude rommel eruit. Ook uit je kop.
Wassenaar is een eigenaardig plaatsje. Om te beginnen: níets is hier duur, men zegt in de
delicatessezaak: "O, dat is toch wel vrij prijzig; nee, doet u dan toch maar een half
onsje van die andere ham." En een oude dame in een bontjas zei tegen een vrouw die
naast haar stond: "Pas de tout, madame, u was eerst, pas de tout." Ik wist niet
dat dat nog bestond: mensen die uit deftigheid zoveel Frans door hun Nederlands mengen.
Verder stond er een vrouw van een jaar of dertig, meende ik: slank figuurtje, lekker strak
kontje in een spijkerbroek. Maar toen ze afgerekend had en zich omdraaide zag ik in het
voorbijgaan dat ze de dertig zeker al voor de tweede keer gepasseerd was. Ze was
waarschijnlijk aan het sparen voor de laatste renovatie, la grande finale: haar gezicht.
Ik schaamde me rot: had ik mij daar staan verlustigen aan de billen van een bejaarde!
Vandaag, in een poging een neerslachtige bui te verdrijven, een wandelingetje gemaakt dat
langs attractiepark Duinrell voerde. De televisiereclame laat een lachende kikker zien die
op een of andere wijze voor vermaak schijnt te zorgen. Maar van dat vermaak was van de
buitenkant niets te merken. Er stonden huisjes zoals je die ook bij kippenboeren ziet
staan en het geheel was omringd door hoge stalen hekken om de bezoekers het vluchten te
ontmoedigen.
Ik probeer de laatste tijd, na een periode van onthouding, weer wat verhalen te schrijven,
maar de helft ervan verzandt. Zo was ik begonnen aan een verhaal met de prachtige titel
'Professor Ferdinand Zelf en de resten van het verdwenen universum'. Het zou handelen over
de ontdekking dat door het wegvallen van de zwaartekracht van de planeten die door een
singulariteit (een zwart gat) worden opgeslokt de buitenste planeten juist van de
singulariteit wég zouden dwalen. Alle singulariteiten slokken uiteindelijk elkaar op, de
druk wordt immens en de laatst overgeblevene implodeert tot een oneindig klein stipje en
explodeert vervolgens weer in een nieuwe 'big bang'. Maar die weggedwaalde planeten van
het vorige universum bestaan dus nog, buiten het nieuwe.
Jarenlang hebben de geleerden erover gekibbeld of het heelal voor altijd zou uitdijen en
uiteindelijk zou uitdoven, of dat het door het bestaan van de zwaartekracht als elastiek
weer in elkaar getrokken zou worden. Zag ik laatst op Discovery Channel een programma
waarin duidelijk werd dat men het er nu wel over eens is geworden dat het heelal voor
altijd blijft uitdijen. Weg verhaal!
Maar goed, de verhalen liggen hier voor het oprapen. Middenin de zandduinen van De
Wassenaarse Slag vond ik een zeer oude halve dakpan. Dat is natuurlijk curieus. Nergens in
de buurt bewoning en dan opeens die dakpan. 's Avonds las ik iets over een archeologische
vondst en dat zette me aan het denken. Stel dat hier ooit een huisje had gestaan, zonder
fundering, dat langzaam maar zeker, of misschien juist bliksemsnel tijdens een
regenachtige stormnacht, onder het zand was verdwenen? Had ik dan op de nok van dat huisje
gestaan? En de bewoner, was die mede gezonken, zoals een kapitein met zijn schip tenonder
gaat?
Het geeft in ieder geval een heel andere betekenis aan het woord duinpan.
Een warme groet,
je Marc
Marc Boelens (Amsterdam 1956) studeerde
Nederlands: literatuur, kunst & cultuur aan de Hogeschool Holland in Diemen, vertaalde
Lilian Peake's zinderende roman A sense of belonging naar het Nederlands, is
redacteur bij enkele internettijdschriften (waaronder vanaf het begin bij De Gekooide
Roos) en schrijft poëzie en korte verhalen. In zijn vrije tijd vult hij zwarte gaten.